vrijdag 11 maart 2022

36) Beangstigende twijfels...



Schepperszoons ogen schitteren ons warm tegemoet. Heilige eerbied vervult mijn hazenhartje. Terwijl Hij Zijn heldere stem laat horen, staren alle dieren met aanbidding naar Zijn heerlijke verschijning.

‘Allereerst verzoek ik Aasbrenger naar Moertje te gaan, om haar te vragen een maaltijd te bereiden op de Verkrassersweide.’ Ik zie de oogjes van mijn neefje een snuif levendig worden, waarna ze direct overweldigd worden van vermoeidheid. Snel richt ik mijn aandacht wederom op de Spreker. ‘Dit om met elkaar te vieren dat Lamprei terug in ons midden is. Vredepijler? Ga jij met hem mee? Moertje en haar kroost hebben jouw dietale* steun nodig. Zeg haar dat Ik samen met Ramkonijn en al onze Vregiovrienden, Lamprei thuis zal brengen. Verkrasser? Aan jou de taak de dieren samen te krassen. Oh…, en voor jullie gaan? Houden jullie de snavelkorven aan, zodat er geen onrust en verwarring ontstaat?’ De drie vogels aanvaarden hun opdracht. Respectvol buigen zij voor Schepperszoon neer, en vliegen met spoed heen om hun taak te vervullen. Met een vriendelijke glimlach stapt de Ruiter van Zijn Paard. Fluistert iets tegen Ramkonijn, die goedkeurend knikt. Vervolgens neemt Hij behoedzaam mijn slapende neefje in Zijn armen, en bestijgt Zijn Paard.




‘Kom,’ zegt Hij vriendelijk, ‘volg mij.’ Dankbaar voor dit meelevende gebaar, omdat de reis voor Lamprei te veel zou zijn en het kleintje nu uit kan rusten, volgt Ramkonijn met blijdschap Schepperszoon. Ik loop naast hem. Ramschaap en Ooi lopen achter ons. Slang glijdt over de grond mee. Als laatste volgen Poetor en Drentel. Ik kijk een snuifje om en vang de timide blik op van Poetor. Spontaan geef ik hem een knipoog. De vuurvliegjes fladderen om ons heen. We naderen het wortelveld. Haastig pluk ik twee wortels, waarvan ik er één aan Ramkonijn geef, zodat we de ergste honger alvast kunnen stillen. Lamprei is zich onbewust van zijn omgeving in de veilige armen van Schepperszoon. 

De veiligste armen Die hij ooit kan wensen!


‘Whfffft…’ Inmiddels is de rij langer geworden. Ramlam loopt blij, poot in poot, tussen Ooi en Ramschaap in. Ook de rest van de kudde sluit zich aan. Met de snuitkorf om onze nek, onder het genot van het knabbelen aan onze wortel, wandelen we aan de overkant het voor mij onderhand vertrouwde bos in. Niet lang daarna voegen de everzwijnen, en vervolgens ook de herten zich bij ons. Heerlijke geuren van voedsel weten mijn snuit te vinden... Mijn hazenhartje zwelt op van blijdschap. Impulsief pak ik de poot van Ramkonijn stevig vast. Verkrassersweide komt in zicht en Beer staat al op zijn wachtpost! Woorden zijn op dit moment niet nodig, om aan elkaar te vertellen hoe wij ons voelen. Voor zover mogelijk huppelen en springen we nog sneller richting ons einddoel. In de verte horen we wolvengehuil, maar daar storen we ons nu niet aan.

Schepperszoon is immers bij ons?


De lange benen van het Paard stappen over de struiken heen. Hoog op het zadel gezeten kijkt Schepperszoon, nadat Hij eerst Beer vriendelijk toe geknikt heeft, met vreugde over Verkrassersweide. Het is een kakofonie van ietwat doffe geluiden. Ik zie Japie bij de ketel in het midden van het veld staan. Ollie houdt hem gezelschap. Leeuw en zijn gezin liggen lui in het gras. Naast hen zie ik Gazelle staan. En Wolf, het vriendje van Lamprei. Samen met zijn familie praat hij met de muizen en de remmels, de broertjes van Lamprei. Mijn ogen zoeken naar Moertje.

‘Moer!’ hoor ik ineens een klein snuifje roepen. Lamprei heeft haar, vanaf zijn hoge positie, al wel ontdekt.


Ach ja… Het is zijn Moertje. Pulster noemde ze mij pas geleden. Net als Moerhaas… 

Snik… Ik druk deze zwaarmoedige gedachte snel weg. 

Vandaag is een dag van dankbare blijheid!


Met een glimlach laat de Zoon van de Schepper Lamprei gaan. Vol jeugdige hernieuwde energie van zijn hazenslaapje, huppelt hij Ramkonijn snel vooruit richting Moer. Zij vangt hem gloedvol en verrukt op in haar konijnenpoten. Haar ogen schitteren vochtig. Zijn broertjes en zusjes springen er lachend omheen. Tot… Ineens staren alle ogen met ontzag richting de rand van het bos.


Op de zojuist nog rumoerige weide, hangt nu een verwachtingsvolle stilte. Statig stapt het witte Paard richting het midden van het veld. Bij de afgezaagde boomstam, vlak naast de ketel met heerlijk geurend eten, houdt hij halt. 

‘Schepperszoon,’ Moertje buigt en maakt zich klein, ‘wat een eer dat U hier bent! U heeft mijn Kleintje teruggebracht. Blijft U eten?’ Hij stijgt af, bukt en richt haar op.

‘Jouw gebeden zijn verhoord. Laten we met dankbaarheid en vreugde het eten dat jullie klaargemaakt hebben gaan gebruiken.’


Een trage vleugelslag horen we boven onze koppen. We kijken omhoog. Onze leider vliegt met zijn dienstkruiers zeven keer rondom het veld. Zij dalen neer. Verkrasser landt op de uitgestoken arm van Schepperszoon. Zes Vredepijlers en zes Aasbrengers gaan met hun manden, zoals gebruikelijk, in een ster om de boomstam heen staan. Nederig buigen zij met een rechtervleugelzwaai voor de Zoon van de Schepper. De zon laat zijn krachtige stralen door de gaten van het bladerdak heen schijnen. Mijn gedachten staan helemaal stil. Zoveel schoonheid, liefde, respect en macht heb ik nog nooit gezien… Woorden schieten tekort om de schoonheid van deze volmaakte Mens te omschrijven. Mijn buik tintelt wederom van warme vreugde. Snuifeloos ben ik… Hij vraagt de Aasbrengers hun manden één voor één te vullen met het bereide voedsel, en terug te gaan naar hun positie. Wij kunnen alvast in de rij gaan staan om het eten te ontvangen van één van de zes Aasbrengers. Tevreden kijkt Schepperszoon naar alle bedrijvigheid. Verkrasser knikt hem dankbaar en blij toe, geduldig wachtend op welke taak Hij gaat krijgen van Zijn Meester.


Beschroomd talmen Poetor en Drentel aan de rand van de weide. Ik krijg medelijden met hen en denk aan de liefdevolle woorden van Moertje: Haas, kom jij niet mee? Jij hoort er ook bij! 

Mijn plaats in de rij geef ik op en ik spring naar hen toe.

‘Kom, jullie mogen mee-eten hoor! Jullie horen er nou ook bij.’ Hun ogen lichten blij op. Samen sluiten we achteraan aan. We zijn gauw aan de beurt. Schepperszoon vraagt aan Zijn Vader een zegen over het eten. In vrede verorberen we onze maaltijd. Ondertussen maakt Hij met iedereen oogcontact. Geen enkel dier voelt zich genegeerd of ongezien door de Zoon van de Schepper.



Poetor en Drentel genieten van het lekkers. 

Doet honger gekookte bonen smaken als vlees? vraag ik me af. Want verderop zie ik Leeuw, Leeuwin en hun welpen aarzelend eten. Ik spits mijn hazenoren die de zachtste geluiden kunnen waarnemen, en hoor hen zachtjes grommen:

‘Mwah…, het is in ieder geval niet meer zo vies als de eerste keer.

Maar lekker is anders… Grmpfffff, vlees…’ Het verlangen straalt uit Leeuws ogen. De welpjes mopperen. De goedige aanmoediging van Leeuwin zorgt ervoor dat zij hun deel opeten. 

Ik begrijp het ook wel… Als ik ineens mijn dieet helemaal moest omgooien…? 

Hun worsteling maakt mij echter eveneens bezorgd en angstig. 

Hoe houden zij dit vol?



*Mentale


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Lamprei had een kinderlijk vertrouwen in Zijn Schepper. Dat hebben jullie kunnen lezen in hoofdstuk 24. En de oudere dieren laten zien dat ook zij in dat kinderlijke geloof meegaan. En Haasje maakt het vol ongeloof mee... Maar wat je hier ook ziet gebeuren , is dat het verlangen van Haasje verder gaat groeien naar het simpele vertrouwen in de Schepper. Naar het zich veilig kunnen toevertrouwen aan de Schepper, zoals Lamprei dat laat zien. Je leest verschillende keren in de Bijbel over de verhouding van kinderen tot de Heere Jezus. Neem nu Mattheüs 18 vers 1 tot en met 14 waarin we gewaarschuwd worden tegen eerzucht en te worden als een kind... Wil ik als een kind worden? En hoe behandel ik kinderen? Of m.a.w. nederigen? Laat ik hen struikelen? Zodat ze niet meer in Jezus geloven?  En jij? Dan denk hierbij ook direct aan het moment dat de kinderen voor Zijn zegen bij de Heere Jezus gebracht werden. De discipelen echter, wilde de kinderen wegsturen (Markus 10 vers 13 tot en met 16). Wat zei Jezus toen in dit schriftgedeelte? 
  2. Schepperszoon gaat in overleg met Ramkonijn. Neemt vervolgens Lamprei bij zich op het paard zodat de kleine onfortuinlijke en ondeugende avonturier kan uitrusten. Hij was zo gehoorzaam geweest aan Verkrasser door zijn snuitkorf te dragen. Tevens had hij goed opgelet hoe zijn vader een burcht maakte. Vervolgens zelf gedaan, waardoor hij kon ontsnappen met de andere gevangen dieren! Uiteindelijk belandde hij nu, vermoeid maar veilig, in de armen van Schepperszoon. Terwijl ik daaraan denk, komt de tekst bij mij naar boven uit het Bijbelgedeelte Mattheüs 11 vers 25 tot en met 30. Vers 28: Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven. Gods juk is zacht en zijn last is licht... Begrijp jij wat de Heere Jezus met deze gesproken woorden bedoelt? 
  3. 'Hoe houden ze het vol?' Naar aanleiding van deze vraag van Haasje, gingen mijn gedachten naar Hebereeën 12 vers 1 tot en met 17.  Met volharding lopen de wedloop lopen die voor ons ligt. Het afleggen van onze lasten en zonden, terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof. Hij heeft om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld, het kruis verdragen en de schande veracht en zit nu aan de rechterhand van de troon van God. Loop ik deze wedloop? Alleen? En jij?
  4. Haasje trekt de nederige Poetor met zijn neefje helemaal bij de gemeenschap. Hier zie je wat ècht berouw en bereidwillige vergeving doet in een relatie! Zijn wij tot beiden bereid? Ik besef hoe moeilijk dit kan wezen. Trauma's die in de weg kunnen liggen. Ik weet er zelf helaas ook van. En tóch... Lopen jij en ik deze wedloop?  
  5. Hoe heerlijk vertroostend en bemoedigend is het om tijdens het lopen van mijn wedloop het lied 'Veilig in Jezus armen, geschreven door Johannes de Heer, te horen en mee te zingen. Zing je en loop je met Hem en mij mee? We hebben elkaar zo hard nodig, om elkaar aan te moedigen in het volharden van de wedloop. Althans, zo ervaar ik het wel. En jij?





Geen opmerkingen:

Een reactie posten

29) Fijn kneepje

   ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...