dinsdag 15 februari 2022

34) Wreed idyllisch tafereel


Het jonge konijntje, hupt voorzichtig tussen de benen van het Paard vandaan en draait zijn kopje omhoog, richting Verkrasser. Zijn oogjes staan angstig. Toch durft hij met beschuldigende en opstandige toon tegen Verkrasser te snuiven:

‘Die snuitkorf was juist helemaal niet goed voor mij. Toen zijn broertje mij gevangennam,’ verwijtend wijst hij met zijn pootje naar Raarschaap, ‘kon niemand mijn gillen horen! Waarom moest ik een snuitkorf voor, terwijl ik alleen planten eet!?’

‘Ha..., lekker gemakkelijk!’ hoor ik Broer zacht smakelijk keffen. Het speeksel druipt nog steeds uit zijn bek. Verkrassers ogen worden groot van de schrik. En nog geen krasteug* later lopen vele tranen over zijn gevederde wangen. Beduusd kijkt Lamprei medelijdend naar onze leider op. Ook de Zoon van de Schepper ziet hem vragend met mededogen aan.
‘Had je die snavelkorf werkelijk nodig, Verkrasser? Natuurlijk mag je hem gebruiken. De vraag is echter, wat jou ervan weerhield om die rat te verorberen?’ Onze wijze uil denkt diep na. Aarzelend snavelt hij:

‘Ik zag de rat angstig kijken en..., in zijn ogen zag ik mezelf weerspiegeld als…,’ hij zwijgt geëmotioneerd, ‘een groot monster. Geen liefde, zoals de raven en duiven mij gegeven hebben toen ik nog een uilskuiken was. Geen liefde zoals U, Die de minste wilde zijn, waardoor de duiven niet meer op het altaar geofferd hoeven te worden. Uw opofferende liefde, waardoor er eeuwig leven is! Ook voor mij…’ Beschaamd en schuldbewust buigt hij zijn kop. ‘Ik heb de Vregioleden verkeerd geleerd hè? Ik dacht dat wij U wel gehoorzaam konden wezen, als wij onze snavelkorven maar droegen. Ik dacht dat onze gemeenschap wel zondeloos kon leven... Mmmmaar..., U bent het, Die ons daarvoor de kracht en wijsheid geeft. Uw Geest liet mij zien wat ik deed. Wat voor een monster ik was! Ik ben niet beter dan Broer hier, als U mij niet weerhoudt. Snavelkorf of niet. Want ik zag dat Raarschaap hier zijn bekkorf afgedaan heeft, juist om onze kleine vrienden te verdedigen tegenover zijn Broer! Op dat eeuwige leven bij U, heb ik geen recht. Vergeef mij dat ik door mijn daden, Lamprei extra in gevaar heb gebracht... Ik dacht wijzer te wezen dan U...'


‘Mijn genade is oneindig Verkrasser,’ zegt de heldere stem van Schepperszoon, ‘bij deze is het jou vergeven. Jouw Vregiovrienden aanvaarden in liefde, naar ik verwacht, jouw oprechte schuldbelijdenis. Kijk eens naar beneden, naar ons kleine en jonge Vregiolid.’ Onze voorganger verbreekt het liefdevolle oogcontact met Schepperszoon. Verwonderd ontmoet hij de grote bruine kijkers van Lamprei, waarin hij geen boosheid en verontwaardiging meer leest. Enkel intense liefde en…, vergeving. Ik zie de ogen van Verkrasser oplichten. Een eerste dankbare vreugdetraan rolt via zijn gevederde wang, op het hoofd van ‘t witte Paard. Snel volgen er meer verlossende tranen…


Al die tijd stonden ook Alfateef en haar welpen, met gespitste oren, luisterend toe te kijken. Wat zou hun Alfareu, oftewel Broer, gaan doen?

‘Grrompf... Eeuwig leven. Waar heb je het over! Nu weet ik wat ik heb. Mijn geduld is op. Ik ga!’ Broer draait zich om en wenkt zijn roedel met hem mee te gaan. Eén van hen draalt echter. ‘Kom Drentel, treuzel niet zo! Je blijft hier niet!’ keft zijn vader streng.


Angstig en schuchter krimpt Drentel in elkaar. Moedig komt zijn oom naast hem staan en vraagt vriendelijk:

‘Ga jij met jouw vader mee, Drentel? Of wil je met mij bij Vregio blijven?’ Zijn bedroefde blik verschuift van zijn neefje naar Broer. Drentel kruipt dichter tegen zijn oom aan, de streng kijkende ogen van zijn vader ontwijkend.

‘Grmpf... Als jij zonodig bij dat addergebroed van een oom blijft hoef ik…,’ hij zwijgt een blafteug om daarna scherp en nijdig tegen zijn zoontje te keffen, ‘je nooit meer te zien.’ Alfateef geeft een jammervolle jank. Haar kop draait wisselend richting Alfareu en haar welp Drentel. ‘Kom nu Alfateef!' grauwt Broer ongeduldig met een strakke, doordringende blik naar zijn Teef. Die zoon van ons is verloren.’ Nog éénmaal kijkt zij naar haar welpje…, om vervolgens aarzelend en met gebogen kop Alfareu te volgen.


Er breekt een vreugdevol gekoer, gekraai, geblaat, gesis, gesnuif en gestamp uit in onze hut.


Lamprei is terug!


Ramkonijn was samen met Slang uit de door Lamprei gegraven gang omhooggekomen. De eerste huppelt met grote sprongen naar de deur van de hut. Het gevaar is geweken. Hij kan zijn zoon in zijn poten sluiten. Stil zie en hoor ik het allemaal gebeuren. Mijn buik voelt weer opgeblazen. Blij? Ik zou blij moeten zijn… 

Met trieste en jaloerse blik neem ik echter door de kier waar, dat Lamprei in de poten van zijn vader wordt genomen. 

Ja…, ik zóu blij moeten zijn…


Vader en zoon lopen poot in poot naar Raarschaap. Ik zie hem nederig vergeving vragen en…, krijgen. Mijn ademhaling versnelt. Ik begin hortend te snuiven. Tranen branden in mijn ogen… 

De moordenaar van mijn Vooi is ontsnapt en…, zijn handlanger staat hier. Opgenomen in onze gemeenschap... Held en redder van Lamprei èn..., mede-moordenaar van mijn Vooi!!! 

‘Gfffff',’ ik haal mijn snuit op. Woedend stamp ik op de grond. Een rode waas komt voor mijn ogen en onbeheerst storm ik naar buiten, om dat idyllisch tafereel wreed te verstoren…



* Ademteug


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Broer wilde niet aangesproken worden op zijn verkeerde gedrag. Gaf zelfs openlijk toe,, dat hij blij was dat Lamprei een snuitkorf had gedragen voor zijn eigen gemak! Hoe moeilijk zal dat voor Lamprei geweest zijn, te horen dat Broer totáál geen spijt had. Wanneer iemand geen spijt heeft van de pijn die ze mij gedaan heeft, vind ik dat moeilijk. Alhoewel het in Handelingen 18 vers 6 gaat over het verkondigen van het Evangelie, maakt de reactie van de toehoorders toch dat ik me toch afvraag of ik hiermee wat kan in mijn situatie... Wat denk jij?
  2. We lezen dat juist Verkrasser énorm schrikt van de reactie van Broer. Ineens beseft hij hoe verkeerd deze door hem ingestelde regel was. We zien iets geweldig moois gebeuren tussen Lamprei en Verkrasser, ondanks de pijnlijk ontstane situatie mede door Verkrasser. Iemand zei eens tegen mij dat ik diegene die mij pijn had gedaan, moest vergeven, want ik was immers christen? Zelf vond ik dat een pijnlijke en tevens weinig begripvolle opmerking richting mij. Helemaal omdat wat mij aangedaan was, traumatisch is geweest. Hoe vind jij dat? Moet je inderdaad vergeven, ongeacht wat je is aangedaan? In de Bijbel staan verschillende situaties over onrecht dat men deed. In dit geval denk ik aan wat in Mattheüs 18 van vers 15 tot en met 35 en Johannes 8 van vers 1 tot en met 11 geschreven staat.
  3. Mag ik dan nooit boos worden? Haasje worstelt hier met zijn gevoelens. Hij zóu blij moeten zijn, maar boosheid overwint. Notabene krijgt de handlanger van de moordenaar van zijn Vooi vergeving aangeboden door Schepperszoon! En Lamprei en zijn vader vergeven Raarschaap het hun aangedane leed. Alle pijn, verdriet en boosheid komen er nu als een 'vulkaan' uit bij Haasje. Hoe denk jij over het gedrag van Haasje? Moest hij niet een voorbeeld nemen aan Lamprei en Ramkonijn?
  4. Zijn jouw en mijn gedachten nog steeds hetzelfde wanneer we lezen over de tempelreiniging in Johannes 2 vers 13 tot en met 25 en over Ananias en Saffira in Handelingen 5 vers 1 tot en met 11
  5. Het gevaar van zomaar teksten en verhalen uit de Bijbel nemen is, dat we ons eigen gedrag er vaak mee goed proberen te praten. Belangrijk is om de context en achtergrond van het geschrevene te onderzoeken. Dus: mogen wij het recht in eigen hand nemen, zoals we dat vaak interpreteren uit Leviticus 24 vers 20 in het oude testament? Het tegendeel 'lijkt de Heere Jezus namelijk te zeggen in Mattheüs 5 vers 38 in het nieuwe Testament. Wat is nu waarheid? Een mooie en heldere uitleg over oog voor oog, tand voor tand, vond ik op de site van Isreality 

4 opmerkingen:

  1. Het proces van vergeving kan voor verschillende mensen anders zijn, en sommige situaties kunnen complexer zijn dan andere. Het is een centraal thema in het christendom dat God genadig is en bereid is zonden te vergeven als mensen oprecht spijt hebben en vergeving vragen. Ik denk dat we in het proces dat mogen leren: tot vergeving bereid zijn. Maar we hoeven iemand niet te vergeven, die geen spit heeft van zijn daden.

    Hoe denk jij erover?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Wat fijn dat je inhoudelijk reageert! Daar ben ik het helemaal mee eens, Aritha. Je kan volgens mij zelfs iemand pas vergeving geven, wanneer deze merkbaar spijt heeft van zijn daden. En dat bedoel ik in die zin, dat de relatie alleen maar volledig herstellen kan, wanneer er werkelijk berouw is, en van de andere kant de bereidheid is tot vergeving. Volgens mij is dit ook een heel Bijbels gegeven... Feitelijk komt dit ook aan bod, in het volgende hoofdstuk.

      Verwijderen
  2. Ik heb niet al de vragen die je onderaan plaatste gelezen, maar wanneer wel dan stemden ze me iedere keer tot dieper nadenken... Dank je wel daarvoor!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Graag gedaan. Blij dat ik daarmee wat voor jou kon betekenen.

    BeantwoordenVerwijderen

29) Fijn kneepje

   ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...