Grote schuldige ogen staren Slang aan. De genadeslag komt hard aan bij Ram, zie ik...
‘Ik heb jouw doddige kleintje,’ Slang slikt moeizaam, ‘ja nog meer…, ik heb de Sssschepper zó lief! Hoe zssssssou ik mijn kleine lieve vriend…’ zijn sissen sterft weg. Hete tranen vallen vanuit de boom op mijn hazenkop, en ik spring opzij. ‘Ik wil eerlijk zijn. Het kosssst me wel een hele sssstrijd, dat klopt. Ach, mijn verleden blijft mij achtervolgen… Tja, niet raar ook,’ sist hij met een berouwvolle toon, en kijkt daarbij Ram eerlijk en open in de ogen. Ramkonijns wangen kleuren donkerder en hij wendt zijn ogen af naar de grond. Nog geen snuif later heft hij zijn kop abrupt op en snuift zacht:
‘Het…, spijt me…, Slang… Mmmmaar… waar… Lamprei?’ klinkt het hortend, mat en radeloos. In zijn grote ogen staat dezelfde wanhoop en pijn te lezen die ik voel.
‘Waar is Lamprei dan?’ gonzen ook de vuurvliegjes. Vertwijfeling en verslagenheid heerst. Als vanzelf sla ik stilzwijgend mijn poot om de schouders van Ram. Waarom ik het snuif weet ik niet, maar plotseling floept het eruit:
‘Ik zag een Ruiter op een wit Paard.’ Ram verstijft. De ogen van Slang lichten op en de vuurvliegjes stoppen abrupt met gonzen. Getroffen staren ze mij allen aan.
‘Wie heb jij gezien?’ vraagt Ram verwachtingsvol.
‘Een Ruiter op een wit Paard,’ zeg ik aarzelend. De anderen houden zich eerbiedig stil. Verward trek ik niet begrijpend, een rimpel boven mijn ogen.
Hun blik straalt tegen verwachting in, hoop uit.
Fluisterend sist Slang onderdanig:
‘Jij hebt de Zsssoon van onze Sssschepper gezssien Haassss. En dat issss een voorrecht en een teken.’
‘We gaan mijn jongste vinden, dat geloof ik nu vast! Waar heb je Hem gezien?’
‘Bij het wortelveld.’
‘Kom, we gaan!’ snuift Ram weer energiek.
‘Ik zsssou jullie graag esssscorteren,’ sist Slang vragend. ‘ssssNachtssss issss mijn zsssoekvermogen zssséér ssssuccsssessssvol.’ Van harte wordt het verzoek aanvaard, en in korte tijd staan we aan de rand van het wortelveld.
‘Ginds zag ik Hem.’ Ik wijs naar de overkant van het veld.
‘Daar gaan we heen,’ klinkt het resoluut. De volle maan gaat regelmatig schuil achter de wolken aan de hemel, waardoor we extra blij zijn met ‘t licht dat de vuurvliegjes op ons pad schijnen. Verschillende schapen voegen zich bij ons. De vader en moeder van Ramlam, en het rare schaap zijn er ook bij. Inmiddels is onze troep speurende dieren groot geworden.
We zijn gearriveerd. Ik spring onzeker naar de plek waar ik meen de Ruiter te hebben gezien.
Vragend en verwachtingsvol kijken alle dieren mij aan.
‘Ik…, ik weet het niet zo goed… Wat zoeken we precies?’ Ramkonijn haalt zijn schouders op, en antwoordt al speurend over het schaars verlichte glooiende graslandschap:
‘Weet ik niet. Dát we iets vinden, is voor mij klaar als een wortel*.’
Hier en daar staat een boom. Mijn ogen turen met de grootst mogelijke inspanning. Een repeterend refrein dreint door mijn kop.
Lamprei…
Wwwwat…!? Ik sla een poot voor mijn snuit. Mijn longen zuig ik vol met de frisse avondlucht en pardoes sluit ik mijn ogen stijf dicht.
Waarna ik een rauwe gil produceer van alle ingehouden lucht, en mijn ogen gaan wijd open. Ten einde raad hopend... Maar nee... Schor stotterend wijs ik met mijn rechterpootje:
‘Rrramkonijn… Pppp… en www…’
*Duidelijk
Vorige hoofdstuk Hersenspinsels:
- Slang, alhoewel gekwetst, begrijpt waarom Ramkonijn juist aan hem de vraag stelt waar Lamprei is. Hij herinnert zich zijn historie, beschreven in Genesis 3, maar al te goed... Berouw komt na de zonde! En deze zonde had wel héél veel gevolgen voor mensen en dieren. Heb ik berouw over mijn zonden? Durf ik voor Gods aangezicht te verschijnen? En jij?
- Ramkonijn schaamt zich voor zijn beschuldiging. Slang leeft al wat langer actief mee in "Vregio". En hij heeft daar duidelijk laten zien dat hij zich bekeerd heeft van de weg die hij bewandelde. Dankbaar aanvaardt hij de aangeboden hulp van Slang. Zijn Lamprei is al veel te lang zoek... Zou ik het aandurven hulp te aanvaarden, van iemand die mij vreselijk veel pijn heeft gedaan, waarbij de gevolgen onvoorstelbaar groot zijn geweest? Zou ik hem of haar weer kunnen vertrouwen??? En jij?
- Zoveel verschillende dieren helpen mee aan de zoektocht. Allemaal met hun eigen talenten. De vuurvliegjes geven licht. Slang kan goed zien in het donker. Ramkonijn en Haas kunnen heel goed ruiken en horen. Schapen kunnen zonder hun kop te hoeven draaien goed rondom zien. Ook in de kerkelijke gemeente zijn er mensen met verschillende eigenschappen en talenten. Hoe zet ik mijn talenten in, op de door de Heere aan mij gegeven plek in mijn gezin, kerkelijke gemeente en leefomgeving? Hoe dien ik er de HEERE mee en de mensen om mij heen? En jij?
- Ik lees mattheüs 25 vers 14 tot en met 30. Lees je mee? Ineens besef ik dat ik niet minderwaardig moet doen, over de in mijn ogen weinige talenten die ik heb ontvangen. God vraagt niet van mij meer te doen dan ik kan. Denk ik feitelijk niet te klein? Hij vraagt te doen wat ik kan. En dat is juist héél groot... Ik ben benieuwd hoe jij deze gelijkenis leest. Heb jij veel of weinig talenten ontvangen? Wat doe jij ermee? Doet het er wel toe, hoeveel talenten je ontvangen hebt? Is mijn laatste vraag, die mij hierover aan het denken zet. Misschien jou ook wel?
- Dan komt er een lichtpunt aan de horizon, wanneer Haasje verteld over Wie hij heeft gezien aan de overkant van het wortelveld. Hoop gloort! Direct vraag ik mezelf af: Heb ik Jezus in mijn leven werkelijk ontmoet? Is Hij een realiteit in mijn dagelijkse leven geworden? Of staat Jezus in mijn dagelijkse leven aan de andere kant van mijn "wortelveld"? En bij jou?









.webp)
