donderdag 3 februari 2022

32) Geloof jij in hún sprookjes???

 

Met grote ogen kijken we stilzwijgend toe. De broers staan stijf op hun poten en kijken elkaar doordringend aan. Geen van beiden gaat door zijn poten.

‘Broertje,’ keft Broer zacht dreigend, ‘ik heb jou naar die gemeenschap gestuurd om gemakkelijk prooien binnen te halen. Ben jij door hen besmet?’


‘Fffffff,’ Ramschaap en ik vullen geschrokken onze longen en ongewild houd ik de ingeademde lucht vast, luisterend naar de reactie van Raarschaap die niet Raarschaap blijkt te zijn…


‘Er is èchte liefde tussen deze dieren. Ik heb de intense droefheid van Haas gezien om zijn Vooi. Onze schuld Broer! Zij vechten niet om de baas te zijn. Hun dienen is wederzijds. Ik zie het verdriet om Lamprei en hun gezamenlijke zoektocht… Bij Vregio mag je zijn wie je bent,’ Raarschaaps stem jankt fluisterend weg.


‘Groeaaahahaaaa,’ lacht Broer spottend en schampert, ‘zijn wie je bent? Als dat het geval is, vinden ze het goed dat jij Lamprei verorbert. Wat ben je voor een wolf!?’

‘Eén die wil zijn zoals de Schepper bedoeld heeft.’

‘Geloof jij in hún sprookjes?’ grauwt hij neerbuigend.

‘Wij horen niet te doden Broer. Dat staat in de geboden van onze Maker. De wereld gaat er kapot van en je krijgt vijanden.’

‘Hoeahahaha, ik lach me ziek om jou Broer. Er is niemand die ons de baas kan! Als ik slim en snel genoeg ben, ontren ik de hoeven van elanden en bizons, en zijn ze mij bovendien tot voedsel. En dat ik slim en snel ben? Daar is geen twijfel over mogelijk!’ Zijn wrede grijns is breed, en zijn witte tanden blinken in het maanlicht. ‘Bovendien, klein broertje,’ vervolgt hij laatdunkend, ‘waarom heb jij dan jouw bekkorf afgegooid? Dat mag toch niet? Nu kan jij in de verleiding komen om af te slachten en jouw honger naar vlees stillen. En daarnaast? Dood is dood. Dan voel ik niets meer! Je moet pakken wat je pakken kan in dit leven. Genieten omdat het nog kan!’

‘Dat is juist mijn punt Broer. Er is wèl leven na jouw dood. Eeuwig leven… Ach Broer, ik gun het jou zo! Schepperszoon is ook voor jouw zonden gekruisigd en gestorven. Maar Hij heeft ook de dood overwonnen, door op te staan uit de dood! Je hoeft het alleen te geloven Broer…,’ zijn jank sterft treurig weg, om vervolgens weer hartstochtelijk defensief te verheffen. ‘Het is toegestaan mezelf te verdedigen! Met bekkorf is dat onmogelijk.’



‘Pfffuh… Je spreekt jezelf tegen en met dubbele tong, addergebroed! En kom nu niet wéér met jouw sprookje aan. Ik tolereer dat niet, klein broertje! Jij ontwijkt mijn vraag. Waar is Lamprei? En al die andere dieren die hier gevangen zaten? Nou!???’

‘Ze zijn weg en komen niet meer terug.’ Moedig kijkt Raarschaap hem strak en nogmaals doordringend aan. Zijn staart steekt recht achteruit.
Broer laat zich echter niet intimideren, en kruipt onheilspellend grommend over de bosgrond richting onze grote held. Klaar om het gevecht met zijn jongere broertje aan te gaan…


Ik knel de poot van Ramschaap bijna af. Mijn ademhaling versnelt.
‘Waar is Verkrasser?’ fluister ik wanhopig.

‘Heb vertrouwen, Haas,’ hoor ik ineens de lichte warme snavel van Vredepijler. Hij is onopvallend op de kop van Ramschaap neergestreken. Turend door de kier van de hut. De eerste tekenen van de nieuwe morgen verschijnen, wanneer mijn hazenhartje verschrikt een slag overslaat. Een grote sprong met wijd opengesperde bek, teruggetrokken lippen en wit glinsterende snijtanden…


Nee! Niet onze held! 

Wederom houd ik ontsteld mijn adem in.

‘Vooi,’ fluister ik verward gebroken. De zoveelste eenzame traan rolt over mijn wang…


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

    1. Wat? Raarschaap is geen schaap maar een wolf! Zijn de schapen niet waakzaam geweest? Hoe waakzaam ben ik eigenlijk? En jij? Lezen wij trouw Gods Woord? Nemen wij de waarschuwing in Mattheüs 7 vers 15 wel serieus?
    2. In 1 Samuel 16 vers 7 lees ik dat wij alleen kunnen zien wat voor ogen is. De HEERE ziet echter het hart aan. Hoe kan ik dan toch waakzaam zijn? Ik breng opnieuw Handelingen 20 vers 17 tot en met 32 onder jouw en mijn aandacht... En lees ook Mattheüs 7 vers 24 tot en met 29. Hoe is het met ons hart gesteld? Delen we het open en oprecht met elkaar?
    3. Een wonder is er gebeurd! Raarschaap, die een broer blijkt te wezen van Broer, heeft zijn Schepper leren kennen en wil geen dieren meer doden. Zijn ogen en hart zijn open gegaan door de onderlinge liefde en bereidwillige dienstbaarheid in "Vregio". Dit in tegenstelling tot zijn Broer, die het maar sprookjes vindt... In Lukas 15 vers 10 staat hoe groot de blijdschap is, wanneer één zondaar zich bekeert. Herkennen wij deze blijdschap? Of lijken wij op Jona, beschreven in Jona 3 en 4? Die niet in Ninevé wilde profeteren/prediken dat de stad over veertig dagen zou worden omgekeerd. Met het risico dat de bevolking hem zou geloven en zich zouden bekeren tot de HEERE. Jona werd zelfs boos toen dit gebeurde! Zijn wij in zo'n situatie ook boos? Of juist blij? En dankbaar? 
    4. Hoeveel èchte liefde ervaren wij in onze kerkelijke gemeente? En hoeveel liefde geef ikzelf? Hoe dienstbaar ben ik aan de ander? En jij? In mijn gedachten zie ik tijdens de paasmaaltijd, Jezus de voeten van de discipelen wassen... Wassen wij ook de voeten? Of  wassen wij liever de oren van de ander?
    5. In Lukas 19 vers 1 tot en met 10 horen we over de ontmoeting van de Heere Jezus en de oppertollenaar Zacheüs. Ooit heb ik horen zeggen dat we bij God mogen komen zoals we zijn... Vind jij dat ook? En mag je tevens blijven wie je bent? Hoe zie je dit "vertaald" bij Zacheüs en zijn ontmoeting met de Heere Jezus? Hier is een link naar geloofstoerusting, ter ondersteuning van deze vraag. 
    6. Raarschaap probeert liefdevol het Evangelie te delen met Broer. Deze spot er alleen maar mee en wil hem zelfs doden! In een gesprek met iemand waarvan ik veel houd, vertelde die persoon ook niet in God te geloven. "Dood is dood," waren bovendien haar woorden. Diezelfde woorden die Broer uitsprak. Dat deed pijn! Gelukkig was mijn gesprek niet zo heftig als dat van Broer met Raarschaap. Liefdevol zelfs. Ook van haar kant. Maar..., ik vond het wel heel moeilijk. Wanneer je 2Korinthe 6 vers 14 leest, is het niet verstandig een relatie te hebben met een ongelovige. Hoe lezen jullie dit Bijbelgedeelte? Hoe gaan jullie hiermee om? Broer en Raarschaap zijn familie. Wat zouden jullie Raarschaap adviseren?  

    maandag 24 januari 2022

    31) Oorverdovend stil

     


    Ramkonijn komt haastig aangehuppeld.

    ‘Een gang in de grond,’ mompelt hij verbluft. Door elkaar blatend staan de schapen voor de tralies van het hok. Ongeduldig trappelend vragen zij:

    ‘Ga je erin? Is het van Lamprei? Waar gaat het heen? Ga jij erin Haas?’ Mijn oren hangen plat naar beneden van teleurstelling.

    ‘Het is te klein. Ramkonijn past er wel door. Durf jij te gaan?’

    ‘Voor mijn zoon doe ik alles neef. Ik ga mijn neus achterna. Lamprei is in de buurt, werkelijk waar!’ Ik zie zijn witte pluim al snel in de donkere gang verdwijnen. Gedempt hoor ik hem snuiven:

    ‘Ik sta bij een splitsing. Hmmm, rechtsaf ga ik weer iets naar boven. Ik ruik ‘m!’ Ongeduldig snuiven en blaten we door elkaar. De vuurvliegjes, Vredepijler en Aasbrenger hebben rust gevonden op de balken van het plafond. ‘Huh…?’ We horen geritsel in het hok naast mij, en staren vervolgens stil naar twee konijnenoren die omhoog komen. Een snuifje later zien we de snuit van Ramkonijn.


    ‘Fffffffttttt…’ Mijn trillende teleurgestelde zucht. Maar Ramkonijns ogen schitteren, en hij snuift enthousiast. 

    ‘We gaan Lamprei vinden. Ik ruik hem hier overal. Hij heeft mijn manier van graven gebruikt. Ik ga verder zoeken.’ Energiek keert hij zich om en zijn oren verdwijnen uit het zicht. Hoopvol tuur ik zijn witte pluim na…



    ‘Aw Oehhhh!’


    ‘Brrrrrr…’ Plotseling voel ik de rillingen over mijn ruggengraat lopen.

    ‘Ddddat kkkklinkt dichtbij…,’ snuif ik. Ramschaap kijkt door een kier van de hut. Hij begint te trillen. Zweetdruppels verschijnen op zijn kop.

    ‘Het zijn wolven,’ smiespelt hij, ‘iiiik herken zzze niet, ddddus zzze zijn niet vvvvan Vregio. En Verkrasser is er nog niet… Wwwwat mmmoeten wwwwwe nu?’ Met grote ogen gapen we elkaar aan.


    Wat nu??? 

    Moedeloos vraag ik het me af… 

    Worden we alsnog opgegeten???


    ‘Zo Broer!’ hoor ik dof keffen. Ik spring onder de poten door van Ramschaap. 

    ‘Huh?’ 

    Door de kier zie ik in het licht van de volle maan Raarschaap, die de huilende wolf aanspreekt.


    Broer? Ik begrijp er niets van…


    ‘Ha, klein broertje. Is het allemaal gelukt?’

    ‘Ik doe niet meer mee Broer. De hokken zijn leeg,’ blaft hij gedempt door de bekkorf heen. 

    ‘Wat zeg je daar,’ grauwt Broer verachtelijk, ‘mijn heerlijke maaltijd?’ Hij steekt zijn tong uit en zijn oren gaan omhoog. ‘Ben jij aangestoken door die halfgare gemeenschap? Ik had jou wel wijzer gedacht!’ Hij

    laat zijn tanden zien. Ineens grijp ik geschrokken de voorpoten van Ramschaap vast. Ook door hem voel ik een schok heen gaan…


    Ontsteld zien we Raarschaap zijn bekkorf afwerpen. Maar niet alleen de bekkorf ligt naast hem op het zachte mos. Ook zijn donkere, dikke wollen vacht!

    ‘Wat heb jij gedaan?’ Broers oren liggen inmiddels achterover. Hij knijpt zijn ogen samen en zijn staart steekt recht naar achteren.

    ‘Ik wil niet dat jij die kleine Lamprei en zijn Vregiovrienden te grazen neemt!’ De oren van Raarschaap staan iets naar voren. Zijn vacht staat omhoog en ik zie tot mijn afgrijzen scherpe snijtanden tevoorschijn komen, doordat hij zijn lippen opgetrokken heeft.


    ‘Hhhhhij is gggeen ssschaap,’ fluister ik verbijsterd. De stilte in de hut is oorverdovend…


    Volgende hoofdstuk


    Vorige hoofdstuk



    Hersenspinsels:

    1. Lamprei heeft goed op zijn vader gelet, zo blijkt. Het gangenstelsel heeft hij gemaakt zoals hij van zijn vader geleerd heeft! Hoe geweldig is het, wanneer ik zie dat mijn kinderen in mijn voetsporen treden. Denk jij net als ik, hierbij aan het vijfde gebod, dat we lezen in exodus 20 vers 12? Welke héérlijke belofte ligt hierin besloten?
    2. Is het wel zo goed, om in mijn voetsporen te treden? Als ik naar mijn verleden kijk en de dingen die ik gedaan heb? Moet ik regelmatig juist schuldig mijn hoofd schudden. Want het waren inderdaad mijn voetsporen en niet Zijn voetsporen! Met andere woorden: 'Heb ik de HEERE lief boven alle goden? En mijn naaste als mezelf? En doe ik deze dingen uit liefde voor Hem, omdat God mijn Schepper en Zaligmaker is? Omdat ik Hem wil eren en dienen? Of doe ik het, omdat ik mezelf groot wil maken in de goede werken bij mijn kinderen en de mensen? En dus mijn eigen verlangens vervullen? En jij? Wie zet jij centraal bij de keuzes die jij maakt in jouw dagelijkse leven? Efeze 6 is hierbij een heel toepasselijk schriftgedeelte om te raadplegen, waarin het vijfde gebod ook wordt aangehaald.
    3. En daarmee realiseer ik me, dat aan het vijfde gebod wel het tweede gebod vooraf gaat(exodus 20 vers 4, 5 en 6)! Want wanneer mijn kinderen mij volgen in het verkeerde, omdat ik mijn verlangens vervuld wil zien? En daarmee dus laat zien dat het belangrijk is jezelf centraal te stellen? Wat gebeurt er dan? Wie behoort de eer te krijgen?
    4. Hoop vult de hut, totdat het wolvengehuil de oren van de dieren bereikt... Angst! Zullen de wolven alle dieren alsnog verslinden? In handelingen 20 vers 17 tot 32 wordt de gemeente van Efeze gewaarschuwd voor wrede wolven die hen niet zullen sparen, nadat Paulus definitief afscheid van hen genomen heeft. Paulus waarschuwt om waakzaam te zijn en draagt hen op aan God en het Woord van Zijn genade... Wat doe ik ? En jij?

    dinsdag 18 januari 2022

    30) Mijn naam is Haas


    Ik wist niet dat ik nóg angstiger en wanhopiger kon worden. Ramkonijn zie ik ineenkrimpen. Verslagen sla ik mijn poten om hem heen. Een enorme woede komt omhoog. 


    Niet nog een keer!!! Mijn neefje móet gevonden worden.

     

    Verwilderd laat ik mijn familielid los en neem onbewust de leiding.

    ‘We moeten in de hut kijken en Raarschaap en Slang vinden! Verkrasser, dit kan toch niet!? Jij ziet goed in het donker, ga jij zoeken, ja?’ Het laatste klinkt scherp. Haast als een bevel aan onze grote leider. Zijn ogen staan verbaasd. Onthutst krast hij niet tegen en knikt instemmend. Waarna ik fier rechtop en vol energie en vertrouwen vervolg:

    ‘Wij nemen de vuurvliegjes mee naar de hut. Niet de moed verliezen Ramkonijn. We gaan jouw zoon vinden!’



    Waar het vandaan komt? Schepper zal het weten, want mijn naam is Haas…


    De volle maan is inmiddels achter de wolken verdwenen. Uil is opgestegen en vliegt met rustige vleugelslag door het bos. Zijn ogen spieden naar Raarschaap en Slang. Ondertussen zijn wij bij de hut aangekomen. Het is voor een groot deel overwoekerd met klimop. Ongemerkt versnelt mijn ademhaling. Mijn borst en buik zwellen op met frisse avondlucht, die weer met horten en stoten via mijn neus ontsnapt. De deur piept zachtjes bij het openen. 

    Die geur…! 

    Ik klem geschrokken de poot van Ramschaap.


    De geur van wolven… Zou…
    Mijn maag komt in opstand en ik knijp in mijn snuit, sluit even mijn ogen om mezelf resoluut aan te pakken. 

    Lamprei heeft ons nodig. 

    We gluren waakzaam naar binnen. Het is nog te donker. Ik kijk de aarzelende Ramkonijn aan en fluister:

    ‘Je hoeft niet mee naar binnen hoor. Ik kan samen met Ramschaap…’ Mijn onafgemaakte zin blijft in de lucht zweven, omdat Ramkonijn onwillig zijn kop schudt en vastberaden zegt:

    ‘Ik zou zijn moeder niet in de ogen durven kijken als ik jou alleen liet gaan, Haas. De vuurvliegjes vliegen over onze koppen naar binnen. Onzeker en bang voor hetgeen we te zien krijgen, poten we de drempel over. Instemmend volgen de schapen, naar hun aard.




    Aarzelend sta ik midden in de ruimte naast een tafel stil. Ik zie aan de achterwand van het huis verschillende hokken staan. Hun deuren staan open en de voederbakken die erin staan zijn leeg. Mijn ogen richten zich naar de rechterwand. Op planken die aan de wand bevestigd zijn, zie ik allerlei schedels van verschillende grootte liggen. Mijn adem stokt. Daaronder liggen allerlei dierenhuiden op de grond. Hoog in de hoeken van de ruimte zie ik allerlei spinrag…


    ‘Brrrrrrr,’ sinister…


    Onze ogen zijn groot van angst en afschuw. Ramschaap snuffelt tussen de huiden terwijl hij af en toe schichtig bezorgd kijkt naar de vader van Lamprei. Langzamerhand zie ik hem ontspannen…  

    ‘Hier zit geen vacht van een konijn tussen,’ blaat hij. Ook de schedels lijken niet in overeenkomst met onze kleine Lamprei. Opeens verstart hij en staart mij geschrokken aan. Een schapenvacht en…, een hazenvacht.


    ‘Vooi…,’ fluister ik met een snik, ‘ach Vooi…’

    Ik moet sterk zijn! Voor Ramkonijn. Niet toegeven. 

    Ik slik en knijp mijn ogen één tel stijf dicht, waarna ik een diepe trillende zucht slaak voordat ik snuif:

    ‘Geen Lamprei, Ramkonijn. Kom, we gaan de hokken onderzoeken. Ramkonijn snuffelt rond in het hok aan de linkerkant. Hij snuift onrustig...

    ‘Ik durf het nauwelijks te geloven mmmmmaar…, ik ruik onze Lamprei!’ prevelt hij. 

    ‘Dan is Lamprei hier geweest!’ roep ik verwachtingsvol uit. Er ligt stro rommelig in de hokken. Ik spring naar de hoek van het hok, waar een merkwaardig hoge hoop stro ligt en schuif het opzij. Mijn ogen worden groot van hoopvolle verbazing.


    ‘Kkkkijk…!’


    Volgende hoofdstuk


    Vorige hoofdstuk


    Hersenspinsels:

    1. Onverwachts neemt Haasje de leiding over van Verkrasser. En verrassend genoeg, laat deze het gebeuren. Alle dieren luisteren naar Haasje, die "dwangmatig" lijkt gedreven te worden door zijn verleden. Of is het iets anders wat hem drijft? Wanneer boosheid over onze angst gaat regeren, worden we vaak aangezet tot actie. Hoe voelt dat voor mij, vraag ik me af. En voor jou? 
    2. Haasje steunt Ramkonijn énorm. Hij wil hem vooral het vertrouwen geven dat ze Lamprei zullen vinden. Valse hoop? Houdt Haasje zichzelf nu ook voor de gek? Liggen leugen en waarheid af en toe niet héél dicht bij elkaar...? Ik wil dan zo graag de ander steunen door te zeggen: 'Het komt wel goed!' Maar diep in mijn hart heb ik zo mijn twijfels. Het voelt als liegen... Hoe gaan jullie daarmee om? Is een arm om iemand heen slaan en bidden niet genoeg?
    3. Ik sta er verbaasd van, hoe moedig Haasje is. Hij neemt Ramkonijn helemaal in bescherming! Ondanks zijn verdriet om de gevonden hazenvacht dat misschien van zijn Vooi was... Soms lijkt het gemakkelijker om met het verdriet van de ander om te gaan, dan met mijn eigen verdriet. Dat doet op zo'n moment te veel pijn. En dus stop ik het dan diep weg. "Gewoon", alsof het er niet is...  Herken je dat? Of heb je in jouw leven ervaren: Wie niet goed voor zichzelf zorgt, kan minder goed voor de ander zorgen? Wat zei Jezus in mattheüs 7? Wat is wijsheid in deze situatie? En dan komen mijn gedachten als vanzelf bij vraag 4...
    4. Is het goed om jouw/mijn verdriet en/of wanhoop terzijde te schuiven, om de ander te troosten en bij te staan? Tenslotte groeit alles wat je aandacht geeft. Ja toch? Hoe denk jij daarover? 
    5. En denk je daar nog steeds hetzelfde over, nadat je leviticus 19 vers 34deuteronomium 6 vers 5 en markus 12 vers 28 tot en met vers 34 gelezen hebt?


    donderdag 28 oktober 2021

    28) Onverwachte komst


    Ramkonijn komt haastig en geschrokken naast me staan. Schaapachtige ogen staren mij aan. Met zijn poot raapt hij het paars-wit gestipt doekje op. Verbleekt weliswaar, maar ik herken het duidelijk. Ik grijp naar het stukje stof dat ik altijd bij me draag, en laat het droevig en stilzwijgend aan de vader van Lamprei zien. Zijn volhardende, niet begrijpende blik doet tot in het diepst van mijn ziel pijn… 

    Hij kent mijn verhaal natuurlijk niet! Realiseer ik me. Geen van allen. Alleen Aasbrenger en Vredepijler. Waren die nu maar hier. Hoe kan ik deze boodschap met Ramkonijn delen? Verzucht ik in stilte.


    ‘Kkkkunnen Aasbrenger en Vredepijler nnnnniet komen?’ Mijn voorpoten grijpen naar mijn buik, struikelend breek ik door de kring van dieren heen en spuug de gehele inhoud van mijn maag op het gras. Met lege ogen, wanhopig starend naar het uitbraaksel. In gedachten zie ik Lamprei. Zijn vader geeft mij een warme ompoting*.
    Hoe kan hij zo rustig blijven? Ach…, hij weet het niet… 


    ‘Hhhhhfffffff.’

    Een diepe, radeloze zucht.

    ‘Is het zó erg?’ hoor ik gealarmeerd en bezorgd zijn snuif als van ver komen. Een klein knikje is het enige antwoord dat ik geven kan…

    ‘Ga snel Vredepijler halen,’ geeft Ramkonijn het bevel aan een paar vuurvliegjes.


    Mijn achterpoten begeven het. Ik plof op de zachte ondergrond. Ontzet en ongeduldig smekende ogen van de kring dieren, gapen mij aan. Maar ik? Ik voel alleen intens verdriet en verslagenheid.


    Mijn lieve neefje Lamprei is…, dood! Hoe zeg ik dat tegen zijn vader??? ‘Pfffffffffffffffft…’

                                                    *******

    De stilte is beklemmend. Moed ontbreekt mij om te snuiven... De maan schuift langzaam op. 'Pffffffff...' Vredepijler arriveert, samen met Aasbrenger en de vuurvliegjes! Gewillig wordt de kring groter gemaakt, zodat de beide vogels bij Ramkonijn en mij kunnen neerstrijken. Schor stamel ik: 

    ‘Kkkkkijk, dddit iiis de mijne en ddddiiit isss…’ mijn stem breekt. De beide dienstkruiers bekijken de doekjes. Schudden licht hun kopjes. Zij geven Lampreis vader een hartversterkend vleugelklopje.


    ‘De vuurvliegjes hebben ons onderweg volledig geïnformeerd. We begrijpen dat je ontzettend geschrokken bent door het vinden van dit paars-wit gestipte doekje, lieve Haas. Laten we alsjeblieft niet van het ergste uitgaan.’

    ‘Maar de wolf…,’ fluister ik angstig en zacht.

    ‘Wat zeg je daar?’ vraagt ineens het rare schaap vanuit de kring. Ik kijk hem aan. Zo raar is hij nu ook weer niet. Alleen een andere kleur. Donkerbruin. Bijna zwart. Op zijn beurt beantwoordt hij mijn vragende blik met zijn eigen vragen:

    ‘Wat bedoel je met een wolf? Ik heb vanmiddag een roedel wolven gezien. Bedoel je dat die…?’ hij maakt zijn zin niet af, en ik voel de spanning stijgen. Vredepijler reageert doortastend en hoopvol, maar verliest niet de realiteit uit het oog.

    ‘Het zou kunnen dat jouw wolf iets te maken heeft met de verdwijning van Lamprei. Dit hoeft het echter nog niet te betekenen. Ook tot onze gemeenschap behoren wolven. En Wolf is zelfs één van de beste vrienden van Lamprei. Nee…,’ schudt hij zijn witte kopje, ‘de Ruiter op het witte Paard heeft jullie niet voor niets hiernaartoe geleid.’ Geruststellend legt hij zijn ene vleugel op mijn poot en de andere op die van Ramkonijn. ‘Ik vermoed dat dat ons veel te zeggen heeft. Misschien is het wel wijs om het spoor van jouw wolf te volgen?’ Het schaap knikt.


    ‘Ik heb het allemaal aangehoord.’ Aasbrenger neemt de leiding over en snavelt verder. ‘Wijs jij ons de weg?’ Aarzelend komt Raarschaap, zoals ik hem stiekem noem, overeind. 

    ‘Oké.’ Bevend van angst sta ik op. 

    Zou ik de moordenaar van mijn lieve drachtige Vooi gaan ontmoeten…? Hoe kan Vredepijler nog zo rustig zijn?

    ‘Brrrrrrrr,’ ik ril onwillekeurig en in de ogen van Ramkonijn zie ik mijn vrees weerspiegeld. Desondanks neemt hij mijn poot troostend in zijn poot.

    ‘Kom…, we gaan hem vinden,’ spreekt hij hoopvol uit. Wolken schuiven voor de maan. De vuurvliegjes luisteren goed naar Raarschaap en gaan ons voor, en dat is hard nodig!

    Vermoeidheid voel ik niet. Het verlangen om Lamprei te vinden is te groot. Met gespitste oren tracht ik elk verdacht geluid waar te nemen, en met mijn neus probeer ik de geur van wolven te herkennen. Ramkonijn doet hetzelfde.

    Bons!


    Ineens kom ik hardhandig tegen het achterwerk van Raarschaap tot stilstand. 

    ‘Daar… Daar waren de wolven.’ Hij wijst naar een klein hutje midden in het bos.

    ‘Misschien kunnen eerst de vogels gaan kijken? Die hebben geen kwaad te duchten van wolven,’ blaat hij angstig bevend. Langzaam en in elkaar gedoken trekt hij zich terug en verschuilt zich helemaal achter in de rij. Ik richt mijn blik op de moedige Aasbrenger en Vredepijler. Zij stemmen dapper in met het voorstel en willen net opstijgen, wanneer er geruisloos een grote vogel vlak voor ons op de grond neerdaalt. Feloranje ogen kijken de dienstkruiers aan.

    ‘Gaan jullie zonder mij?’ klinkt zijn warme donkere stem vriendelijk. ‘Zal ik eerst alleen voorzichtig verkennen?’



    ‘Pfffff… Verkrasser!’


    Een zucht van verlichting. Ramkonijn en ik geven elkaar verwachtingsvol een klap op onze schouders.

    ‘Vuurvliegjes, blijf bij de troep, anders zijn de wolven al gewaarschuwd voor ik hen kan ontdekken! Ik zie alles goed in het donker, maak je geen zorgen.’ Geruisloos stijgt hij op richting het hutje. Nerveus en verontrust tuur ik hem in het donker na. Nog geen paar zuchten later horen we een ijselijk doordringende kras door de duisternis…


    *Omarming


    Volgende hoofdstuk


    Vorige hoofdstuk


    Hersenspinsels:

    1. Soms lijkt je alles bij de handen af te breken. Misselijk van angst en verdriet dacht je controle te hebben en het vreselijke te kunnen voorkomen wat je eerder al is overkomen. Maar nee... Hoe ga ik met zoiets om? Bij wie schuil ik? Wat doet Haas? En jij?
    2. De mensen om ons heen begrijpen niet altijd onze reacties. Zoals Ramkonijn hier weinig van de wanhopige reactie van Haas begrijpt. Wat vind jij ervan, hoe hij reageert op Haas? Hoe zou jij reageren?
    3. Vredepijler en Aasbrenger begrijpen de reactie van Haas veel beter. Tóch durven zij hoop te geven. Is dat realistisch?
    4. Raarschaap bevestigt de wanhoop van Haas. Hij heeft een roedel wolven in de buurt gezien. Desondanks blijft Vredepijler hoopvol. Het heeft ook veel te maken met het feit dat Haas, de Ruiter op het witte Paard heeft gezien. Komt er hulp uit onverwachte hoek? Hoe houden wij vol in de wanhoop van ons leven?
    5. De vuurvliegjes hebben al veel betekent voor alle dieren tijdens de zoektocht. Dankzij hen hebben Vredepijler en Aasbrenger zich bij hen gevoegd. Nu wijzen zij, luisterend naar Raarschaap, de weg naar de plaats waar hij de wolven het laatst gezien heeft. Hoe beangstigend voor Haas. Gaat hij de moordenaar van zijn Vooi ontmoeten? Gelukkig heeft hij vrienden om zich heen. Tevens Verkrasser die hen onverwachts komt bijstaan. Zelfs het voortouw neemt om zijn vrienden te beschermen... In mijn heden, loop ik weleens tegen spoken uit mijn verleden aan. En dat is angstig! Hoeveel moed moet je hebben, om de confrontatie aan te gaan met die spoken... Hoe geweldig is het dan om mensen om je heen te hebben staan, die je kan vertrouwen om door die angst heen te gaan! Ben jij zo'n iemand? Misschien wel júist doordat je weet hoe beangstigend het is? Of heb jij juist onbegrip voor mensen met angst en verdriet, omdat jij zo'n groot trauma hebt opgelopen dat hun angst en verdriet maar 'klein' lijken? 
    6. Of herken je hier helemaal niets van? En behoor je tot de 'gelukkige' mensen die geen trauma's in hun leven hebben opgelopen? Hoe ga jij daarmee om? Welk Mens is er geweest Die het allergrootste trauma heeft opgelopen van alle mensen? Hoe heeft Hij dat gedragen? Lees daarbij eens mattheüs 20 vanaf vers 17 tot 28 met daarbij de uitleg van Matthew Henry vanaf pagina 470, maar let vooral op pagina 472 en verder. Tevens mattheüs 26 vanaf vers 17 tot en met 46. Wat heeft dit ons/mij te zeggen?


    dinsdag 5 oktober 2021

    27) Een donkere zoektocht



    Grote schuldige ogen staren Slang aan. De genadeslag komt hard aan bij Ram, zie ik...
    ‘Ik heb jouw doddige kleintje,’ Slang slikt moeizaam, ‘ja nog meer…, ik heb de Sssschepper zó lief! Hoe zssssssou ik mijn kleine lieve vriend…’ zijn sissen sterft weg. Hete tranen vallen vanuit de boom op mijn hazenkop, en ik spring opzij. ‘Ik wil eerlijk zijn. Het kosssst me wel een hele sssstrijd, dat klopt. Ach, mijn verleden blijft mij achtervolgen… Tja, niet raar ook,’ sist hij met een berouwvolle toon, en kijkt daarbij Ram eerlijk en open in de ogen. Ramkonijns wangen kleuren donkerder en hij wendt zijn ogen af naar de grond. Nog geen snuif later heft hij zijn kop abrupt op en snuift zacht:

    ‘Het…, spijt me…, Slang… Mmmmaar… waar… Lamprei?’ klinkt het hortend, mat en radeloos. In zijn grote ogen staat dezelfde wanhoop en pijn te lezen die ik voel.

    ‘Waar is Lamprei dan?’ gonzen ook de vuurvliegjes. Vertwijfeling en verslagenheid heerst. Als vanzelf sla ik stilzwijgend mijn poot om de schouders van Ram. Waarom ik het snuif weet ik niet, maar plotseling floept het eruit:

    ‘Ik zag een Ruiter op een wit Paard.’ Ram verstijft. De ogen van Slang lichten op en de vuurvliegjes stoppen abrupt met gonzen. Getroffen staren ze mij allen aan.


    ‘Wie heb jij gezien?’ vraagt Ram verwachtingsvol.

    ‘Een Ruiter op een wit Paard,’ zeg ik aarzelend. De anderen houden zich eerbiedig stil. Verward trek ik niet begrijpend, een rimpel boven mijn ogen.


    Hun blik straalt tegen verwachting in, hoop uit.

    Fluisterend sist Slang onderdanig:

    ‘Jij hebt de Zsssoon van onze Sssschepper gezssien Haassss. En dat issss een voorrecht en een teken.’

    ‘We gaan mijn jongste vinden, dat geloof ik nu vast! Waar heb je Hem gezien?’
    ‘Bij het wortelveld.’

    ‘Kom, we gaan!’ snuift Ram weer energiek.

    ‘Ik zsssou jullie graag esssscorteren,’ sist Slang vragend. ‘ssssNachtssss issss mijn zsssoekvermogen zssséér ssssuccsssessssvol.’ Van harte wordt het verzoek aanvaard, en in korte tijd staan we aan de rand van het wortelveld.

    ‘Ginds zag ik Hem.’ Ik wijs naar de overkant van het veld.

    ‘Daar gaan we heen,’ klinkt het resoluut. De volle maan gaat regelmatig schuil achter de wolken aan de hemel, waardoor we extra blij zijn met ‘t licht dat de vuurvliegjes op ons pad schijnen. Verschillende schapen voegen zich bij ons. De vader en moeder van Ramlam, en het rare schaap zijn er ook bij. Inmiddels is onze troep speurende dieren groot geworden.

    We zijn gearriveerd. Ik spring onzeker naar de plek waar ik meen de Ruiter te hebben gezien. 

    Vragend en verwachtingsvol kijken alle dieren mij aan.

    ‘Ik…, ik weet het niet zo goed… Wat zoeken we precies?’ Ramkonijn haalt zijn schouders op, en antwoordt al speurend over het schaars verlichte glooiende graslandschap:
    ‘Weet ik niet. Dát we iets vinden, is voor mij klaar als een wortel*.’

    Hier en daar staat een boom. Mijn ogen turen met de grootst mogelijke inspanning. Een repeterend refrein dreint door mijn kop.


    Lamprei…


    Wwwwat…!? Ik sla een poot voor mijn snuit. Mijn longen zuig ik vol met de frisse avondlucht en pardoes sluit ik mijn ogen stijf dicht.


    Waarna ik een rauwe gil produceer van alle ingehouden lucht, en mijn ogen gaan wijd open. Ten einde raad hopend... Maar nee... Schor stotterend wijs ik met mijn rechterpootje:


    ‘Rrramkonijn… Pppp… en www…’


    *Duidelijk


    Volgende hoofdstuk


    Vorige hoofdstuk Hersenspinsels:

    1. Slang, alhoewel gekwetst, begrijpt waarom Ramkonijn juist aan hem de vraag stelt waar Lamprei is. Hij herinnert zich zijn historie, beschreven in Genesis 3, maar al te goed... Berouw komt na de zonde! En deze zonde had wel héél veel gevolgen voor mensen en dieren. Heb ik berouw over mijn zonden? Durf ik voor Gods aangezicht te verschijnen? En jij?
    2. Ramkonijn schaamt zich voor zijn beschuldiging. Slang leeft al wat langer actief mee in "Vregio". En hij heeft daar duidelijk laten zien dat hij zich bekeerd heeft van de weg die hij bewandelde. Dankbaar aanvaardt hij de aangeboden hulp van Slang. Zijn Lamprei is al veel te lang zoek... Zou ik het aandurven hulp te aanvaarden, van iemand die mij vreselijk veel pijn heeft gedaan, waarbij de gevolgen onvoorstelbaar groot zijn geweest? Zou ik hem of haar weer kunnen vertrouwen??? En jij?
    3. Zoveel verschillende dieren helpen mee aan de zoektocht. Allemaal met hun eigen talenten. De vuurvliegjes geven licht. Slang kan goed zien in het donker. Ramkonijn en Haas kunnen heel goed ruiken en horen. Schapen kunnen zonder hun kop te hoeven draaien goed rondom zien. Ook in de kerkelijke gemeente zijn er mensen met verschillende eigenschappen en talenten. Hoe zet ik mijn talenten in, op de door de Heere aan mij gegeven plek in mijn gezin, kerkelijke gemeente en leefomgeving? Hoe dien ik er de HEERE mee en de mensen om mij heen? En jij?
    4. Ik lees mattheüs 25 vers 14 tot en met 30. Lees je mee? Ineens besef ik dat ik niet minderwaardig moet doen, over de in mijn ogen weinige talenten die ik heb ontvangen. God vraagt niet van mij meer te doen dan ik kan. Denk ik feitelijk niet te klein? Hij vraagt te doen wat ik kan. En dat is juist héél groot... Ik ben benieuwd hoe jij deze gelijkenis leest. Heb jij veel of weinig talenten ontvangen? Wat doe jij ermee? Doet het er wel toe, hoeveel talenten je ontvangen hebt? Is mijn laatste vraag, die mij hierover aan het denken zet. Misschien jou ook wel?
    5. Dan komt er een lichtpunt aan de horizon, wanneer Haasje verteld over Wie hij heeft gezien aan de overkant van het wortelveld. Hoop gloort! Direct vraag ik mezelf af: Heb ik Jezus in mijn leven werkelijk ontmoet? Is Hij een realiteit in mijn dagelijkse leven geworden? Of staat Jezus in mijn dagelijkse leven aan de andere kant van mijn "wortelveld"? En bij jou?

    29) Fijn kneepje

       ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...