maandag 7 februari 2022

33) Scherp gouden Woord~en~Boek

 

‘Kai Kai Kai…’ Twee sterke witte paardenbenen komen zo hardhandig tegen de buik van Broer aan, dat bijna alle lucht uit zijn longen gezogen wordt. Jankend ligt hij op de grond. Het Paard zet zijn paardenhoeven stevig op de wolf.

‘Hey Lamzak..., laat me los!’ jankt deze woest zodra hij lucht kan happen. Hij tracht zich los te worstelen. Een heldere fluweelzachte stem vraagt:

‘Wil jij leven of dood?’

Verrast door het vriendelijke stemgeluid van de Ruiter op 't grote, witte Paard, neemt Broer nog een flinke teug lucht en klapt vervolgens zijn bek een paar tellen dicht.

‘Leven natuurlijk,’ antwoordt hij brutaal keffend.

‘Geloof in Mijn Vader en Mij. Gehoorzaam ons Woord en je zúlt 't krijgen.’
‘Moet ik dan leven zoals mijn broertje?’ vraagt hij stug.

‘Wat denk je zelf, Broer Wolf? Wie heeft jou geschapen?’ De voorhoeven die hem op de grond dwongen, laten los.

Ademloos kijk ik toe. Het, “heb vertrouwen”, echoot nog na in mijn hazenkopje. 

De Zoon van de Schepper, gekleed in een prachtig blinkend gewaad, pakt de moordenaar van Vooi aan! 

Mijn buik en hart zwellen op van hoop en verwachting... 

Vredepijler had gelijk!

Beschaamd kijk ik omhoog in zijn kraalogen. Hij stelt me verder gerust met een opbeurend knikje. Het tafereel buiten vraagt weer mijn aandacht. Inmiddels staat onze vijand stijf op zijn beide poten. Afwijzend kijkt hij de Man aan, Die een gouden boek in Zijn rechterhand houdt. Het glimmend, edele metaal flikkert dankzij de zwakke, aarzelende zonnestralen in de vroege morgen. De vriendelijk gesproken woorden waren eruit geschoten als een tweesnijdend zwaard.


‘Ik ben een geboren jager.’ Trots kijkt hij de Zoon van de Schepper aan. ‘Mijn broertje is een dromer geworden in plaats van realist. Puh…, ik kan mijn leven tenminste zelf regelen! Als ik maar snel en waaks genoeg ben. Dat jij mij op de grond hebt gekregen is een domme fout en zal mij niet weer gebeuren!’


Door ons kiertje zie ik Broers wantrouwende vernauwde ogen, zijn uitgestoken tong en rechtopstaande oren. Allesbehalve dreigend is de uitstraling van Schepperszoon. Hij kijkt de grote wolf zelfs liefdevol in bewogenheid aan, en adviseert hem wederom met vlijmscherpe Woorden uit dat gouden Boek:

‘Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen om Mij, die zal het vinden.*


Verbaasd horen mijn hazenoren de gesproken woorden.

Is dit niet júist wat Raarschaap deed?


‘Jij kan wel doorzagen over dat sprookje van jou en mijn broertje met zijn
Vregiovrienden idem dito… Grmpf..., daar vul ik mijn maag niet mee! En ook niet die van mijn Alfateef en welpen.’ Broer snuift verachtelijk.

‘Waarom hebben jij en jouw Paard geen bekkorf om? Jullie nemen jullie eigen wetjes niet eens serieus... Zou ik dat dan wel doen, en jullie sprookjes geloven? Nee…’ Strak staart hij argwanend in de meest zachtaardige ogen die hij óóit gezien heeft.


Treurig buigt de begripvolle Ruiter Zich voorover, zodat Hij nog beter recht in die vijandige ogen kan kijken.

‘Wij hebben NOOIT gezegd dat alle dieren bekkorven moeten dragen. Wat Mijn Vader en ik gezegd hebben in Ons Woord, is dat je niet mag  doden. Er staat ook geschreven:

Maar tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn**. Dit is een lering van Verkrasser aan Vregioleden, die Ik hem en hen niet geleerd heb. Indien jij liefde hebt voor jouw naaste, zál je hem niet doden! Hoe kan jij geen liefde voor jouw naaste hebben, als je weet dat Ik Mijn leven voor jouw zonden gegeven heb? Och..., vergeef elkaar zoals ik jullie vergeef. En dit alles is voor jou ook binnen pootbereik Broer,' besluit de Zoon van de Schepper genadig.

Wat zegt Hij nu? Die GodenZoon valt onze gerespecteerde Verkrasser af!? Hoe kan Hij de moordenaar van mijn Vooi... 

Ik schud mijn kop wild en een diepe snik welt op. Wanhoop doortrekt mijn hele hazenlijf. 

Hij hoort straf te krijgen en hij krijgt vergeving...?


‘Pffffieuw,’ ik geef een snuitblaas. Mijn oren liggen strak naar beneden en ik stamp boos op de grond. Ramschaap blaat onrustig. Met verwijtende ogen kijk ik omhoog naar Vredepijler, hopend op... 


Tja…, op wat? 

Ik weet het niet meer. Alle gevoel van vertrouwen, veiligheid en zekerheid is uit mijn poten geslagen. Meelevend vliegt Vredepijler met bezorgd staande kraalogen op, om naast mij neer te dalen. Hij geeft een troostend vleugelklopje op mijn rug en laat hem daar warm liggen. Lief bedoeld, dat wel maar…, het intense verdriet en de wanhoop die ik nu voel? Gaan daarmee niet weg. Lusteloos met afgehangen schouders en slappe poten, kijk ik vanuit onze schuilplaats naar buiten. 

Heb ik nog wel hoop? Vraag ik mezelf af...


Ondertussen blaft Broer verder met de Zoon van de Schepper. 

‘Heb ik vergeving nodig omdat ik goed voor mezelf en wie bij mij hoort, zorg? Hier in dit bos heeft mijn gezin een goed leven. Eten in overvloed!’ hij grijnst onbekommerd en tevreden.

‘Maar grote boze Wolf? Waarom moet ik voor jou sterven? Kan je geen ander voedsel eten?’ Blaffeloos*  geïrriteerd keert Broer zijn kop naar degene die tegen hem durft te snuiven.


Ik wrijf met mijn pootjes in mijn hazenogen. 

Is dat…? 

De warme vleugel van Vredepijler glijdt van mijn rug af en ik hoor blij verrast geroezemoes…


Lamprei?


Vanaf een veilige afstand huppelt hij nu richting het Paard. Tussen zijn benen blijft mijn kleine neefje beschermd en buiten gevaar staan. Ik ben perplex. Daarbij zie ik tot mijn verrassing Verkrasser opstijgen uit een boom en neerstrijken op het hoofd van 't Paard. De roze tong van Broer glijdt naar buiten om het speeksel, dat uit zijn bek loopt, op te vangen. Heftig verlangen straalt uit zijn ogen. Hij houdt zich echter in. 


Wellicht weerhoudt de recente pijnlijke herinnering aan de sterke benen van het Paard, hem aan te vallen? 


In ieder geval blijft hij, hoewel ongedurig, met een paar meter tussen hen in, ongeduldig staan luisteren. Een trillende zucht verlaat mijn hazenkeeltje.


*Mattheüs 16 vers 25 - HSV

**Mattheüs 15 vers 9 - HSV

* Woordeloos


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. In de nood komt de Ruiter op het witte Paard, de Zoon van de Schepper! Hij redt Raarschaap van de aanval van Broer. Lamprei vroeg moedig waarom hij moet sterven om als voedsel te dienen, terwijl Schepperszoon aan alle toehoorders, en in het bijzonder aan Broer, het Evangelie brengt. Maar deze lijkt er geen oren naar te hebben. Aardse behoeften zijn voor hem en zijn gezin zijn veel belangrijker... Schepperszoon haalt Mattheüs 16 vers 25 - HSV aan. Hoe kan je dit eigenlijk rijmen met Mattheüs 6 vers 11, waarin Jezus zegt: 'Geef ons heden ons dagelijks brood'. Broer had weldegelijk zijn dagelijks eten nodig. Ja toch?
  2. Al die hoon, spot en  het volhardende in het niet willen geloven. Dat doet pijn... Toch blijft Schepperszoon vergeving en  genade aanbieden aan Broer. Haasje wordt hier boos en wanhopig van. In hoofdstuk 32 bij de vragen noemde ik Jona al een keertje. Ik herken wel wat van Jona(beschreven in hoofdstuk 1) in Haasje. En soms...? Ook in mijzelf. En jij?
  3. Zijn deze bovenstaande woorden, door Schepperszoon gesproken, wel speciaal aan Broer gericht? Hij krijgt in ieder geval veel stof om over na te denken! Haasje constateert stilletjes in gedachten: Is dit niet júist wat Raarschaap deed? Broer is diegene die de dierengemeenschap bedreigt met zijn weigering zich naar de wil van de Schepper te gedragen. Maar Schepperszoon haalt hier niet uitgebreid de zonden van Broer aan. Nee, Hij biedt Broer vergeving aan. Dit tot ongenoegen van Haasje... De moordenaar van zijn Vooi! Maar aanvaard Broer die vergeving? Hoe zou jij reageren? Als jij Haasje óf Broer was?
  4. Mensen die niet geloven zien vaak haarscherp dat wij niet naar Gods Woord leven... Alzo ook Broer hier. Wat vind jij van de reactie van Schepperszoon? Mattheüs 15 vers 9 - HSV speelt hier een belangrijke rol. Maar Verkrasser bedoelde het toch goed? De regels die Verkrasser gaf, gaven Haasje een veilig gevoel. Is dat niet goed dan? Ben je een kind van de HEERE wanneer je je aan Gods geboden houdt? Kan dat dan? En Wie heeft dat volmaakt gedaan?
  5. Op wie stelde Verkrasser, samen met de ander dieren feitelijk hun vertrouwen met het instellen van deze regel/wet? Welke rol spelen wet en Evangelie in jouw en mijn leven? Een hele goede uitleg over hoe deze beiden een rol spelen in ons geloofsleven, hoorde ik via geloofstoerusting in twee delen. Mocht je het willen luisteren? Alhier voor beiden op volgorde de link:
    en
  6. Plotseling confronteert Lamprei Broer met zijn gedrag. Onder de veilige bescherming van de Ruiter met Zijn witte Paard. Moet Lamprei lijden, om het gezin van Broer te voorzien van eten? Hoe doen wij dat in ons leven? Wiens belangen zetten wij voorop? Die van onszelf? Die van de ander? Of die van de HEERE? En door wie laten wij ons beschermen?



donderdag 3 februari 2022

32) Geloof jij in hún sprookjes???

 

Met grote ogen kijken we stilzwijgend toe. De broers staan stijf op hun poten en kijken elkaar doordringend aan. Geen van beiden gaat door zijn poten.

‘Broertje,’ keft Broer zacht dreigend, ‘ik heb jou naar die gemeenschap gestuurd om gemakkelijk prooien binnen te halen. Ben jij door hen besmet?’


‘Fffffff,’ Ramschaap en ik vullen geschrokken onze longen en ongewild houd ik de ingeademde lucht vast, luisterend naar de reactie van Raarschaap die niet Raarschaap blijkt te zijn…


‘Er is èchte liefde tussen deze dieren. Ik heb de intense droefheid van Haas gezien om zijn Vooi. Onze schuld Broer! Zij vechten niet om de baas te zijn. Hun dienen is wederzijds. Ik zie het verdriet om Lamprei en hun gezamenlijke zoektocht… Bij Vregio mag je zijn wie je bent,’ Raarschaaps stem jankt fluisterend weg.


‘Groeaaahahaaaa,’ lacht Broer spottend en schampert, ‘zijn wie je bent? Als dat het geval is, vinden ze het goed dat jij Lamprei verorbert. Wat ben je voor een wolf!?’

‘Eén die wil zijn zoals de Schepper bedoeld heeft.’

‘Geloof jij in hún sprookjes?’ grauwt hij neerbuigend.

‘Wij horen niet te doden Broer. Dat staat in de geboden van onze Maker. De wereld gaat er kapot van en je krijgt vijanden.’

‘Hoeahahaha, ik lach me ziek om jou Broer. Er is niemand die ons de baas kan! Als ik slim en snel genoeg ben, ontren ik de hoeven van elanden en bizons, en zijn ze mij bovendien tot voedsel. En dat ik slim en snel ben? Daar is geen twijfel over mogelijk!’ Zijn wrede grijns is breed, en zijn witte tanden blinken in het maanlicht. ‘Bovendien, klein broertje,’ vervolgt hij laatdunkend, ‘waarom heb jij dan jouw bekkorf afgegooid? Dat mag toch niet? Nu kan jij in de verleiding komen om af te slachten en jouw honger naar vlees stillen. En daarnaast? Dood is dood. Dan voel ik niets meer! Je moet pakken wat je pakken kan in dit leven. Genieten omdat het nog kan!’

‘Dat is juist mijn punt Broer. Er is wèl leven na jouw dood. Eeuwig leven… Ach Broer, ik gun het jou zo! Schepperszoon is ook voor jouw zonden gekruisigd en gestorven. Maar Hij heeft ook de dood overwonnen, door op te staan uit de dood! Je hoeft het alleen te geloven Broer…,’ zijn jank sterft treurig weg, om vervolgens weer hartstochtelijk defensief te verheffen. ‘Het is toegestaan mezelf te verdedigen! Met bekkorf is dat onmogelijk.’



‘Pfffuh… Je spreekt jezelf tegen en met dubbele tong, addergebroed! En kom nu niet wéér met jouw sprookje aan. Ik tolereer dat niet, klein broertje! Jij ontwijkt mijn vraag. Waar is Lamprei? En al die andere dieren die hier gevangen zaten? Nou!???’

‘Ze zijn weg en komen niet meer terug.’ Moedig kijkt Raarschaap hem strak en nogmaals doordringend aan. Zijn staart steekt recht achteruit.
Broer laat zich echter niet intimideren, en kruipt onheilspellend grommend over de bosgrond richting onze grote held. Klaar om het gevecht met zijn jongere broertje aan te gaan…


Ik knel de poot van Ramschaap bijna af. Mijn ademhaling versnelt.
‘Waar is Verkrasser?’ fluister ik wanhopig.

‘Heb vertrouwen, Haas,’ hoor ik ineens de lichte warme snavel van Vredepijler. Hij is onopvallend op de kop van Ramschaap neergestreken. Turend door de kier van de hut. De eerste tekenen van de nieuwe morgen verschijnen, wanneer mijn hazenhartje verschrikt een slag overslaat. Een grote sprong met wijd opengesperde bek, teruggetrokken lippen en wit glinsterende snijtanden…


Nee! Niet onze held! 

Wederom houd ik ontsteld mijn adem in.

‘Vooi,’ fluister ik verward gebroken. De zoveelste eenzame traan rolt over mijn wang…


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

    1. Wat? Raarschaap is geen schaap maar een wolf! Zijn de schapen niet waakzaam geweest? Hoe waakzaam ben ik eigenlijk? En jij? Lezen wij trouw Gods Woord? Nemen wij de waarschuwing in Mattheüs 7 vers 15 wel serieus?
    2. In 1 Samuel 16 vers 7 lees ik dat wij alleen kunnen zien wat voor ogen is. De HEERE ziet echter het hart aan. Hoe kan ik dan toch waakzaam zijn? Ik breng opnieuw Handelingen 20 vers 17 tot en met 32 onder jouw en mijn aandacht... En lees ook Mattheüs 7 vers 24 tot en met 29. Hoe is het met ons hart gesteld? Delen we het open en oprecht met elkaar?
    3. Een wonder is er gebeurd! Raarschaap, die een broer blijkt te wezen van Broer, heeft zijn Schepper leren kennen en wil geen dieren meer doden. Zijn ogen en hart zijn open gegaan door de onderlinge liefde en bereidwillige dienstbaarheid in "Vregio". Dit in tegenstelling tot zijn Broer, die het maar sprookjes vindt... In Lukas 15 vers 10 staat hoe groot de blijdschap is, wanneer één zondaar zich bekeert. Herkennen wij deze blijdschap? Of lijken wij op Jona, beschreven in Jona 3 en 4? Die niet in Ninevé wilde profeteren/prediken dat de stad over veertig dagen zou worden omgekeerd. Met het risico dat de bevolking hem zou geloven en zich zouden bekeren tot de HEERE. Jona werd zelfs boos toen dit gebeurde! Zijn wij in zo'n situatie ook boos? Of juist blij? En dankbaar? 
    4. Hoeveel èchte liefde ervaren wij in onze kerkelijke gemeente? En hoeveel liefde geef ikzelf? Hoe dienstbaar ben ik aan de ander? En jij? In mijn gedachten zie ik tijdens de paasmaaltijd, Jezus de voeten van de discipelen wassen... Wassen wij ook de voeten? Of  wassen wij liever de oren van de ander?
    5. In Lukas 19 vers 1 tot en met 10 horen we over de ontmoeting van de Heere Jezus en de oppertollenaar Zacheüs. Ooit heb ik horen zeggen dat we bij God mogen komen zoals we zijn... Vind jij dat ook? En mag je tevens blijven wie je bent? Hoe zie je dit "vertaald" bij Zacheüs en zijn ontmoeting met de Heere Jezus? Hier is een link naar geloofstoerusting, ter ondersteuning van deze vraag. 
    6. Raarschaap probeert liefdevol het Evangelie te delen met Broer. Deze spot er alleen maar mee en wil hem zelfs doden! In een gesprek met iemand waarvan ik veel houd, vertelde die persoon ook niet in God te geloven. "Dood is dood," waren bovendien haar woorden. Diezelfde woorden die Broer uitsprak. Dat deed pijn! Gelukkig was mijn gesprek niet zo heftig als dat van Broer met Raarschaap. Liefdevol zelfs. Ook van haar kant. Maar..., ik vond het wel heel moeilijk. Wanneer je 2Korinthe 6 vers 14 leest, is het niet verstandig een relatie te hebben met een ongelovige. Hoe lezen jullie dit Bijbelgedeelte? Hoe gaan jullie hiermee om? Broer en Raarschaap zijn familie. Wat zouden jullie Raarschaap adviseren?  

    maandag 24 januari 2022

    31) Oorverdovend stil

     


    Ramkonijn komt haastig aangehuppeld.

    ‘Een gang in de grond,’ mompelt hij verbluft. Door elkaar blatend staan de schapen voor de tralies van het hok. Ongeduldig trappelend vragen zij:

    ‘Ga je erin? Is het van Lamprei? Waar gaat het heen? Ga jij erin Haas?’ Mijn oren hangen plat naar beneden van teleurstelling.

    ‘Het is te klein. Ramkonijn past er wel door. Durf jij te gaan?’

    ‘Voor mijn zoon doe ik alles neef. Ik ga mijn neus achterna. Lamprei is in de buurt, werkelijk waar!’ Ik zie zijn witte pluim al snel in de donkere gang verdwijnen. Gedempt hoor ik hem snuiven:

    ‘Ik sta bij een splitsing. Hmmm, rechtsaf ga ik weer iets naar boven. Ik ruik ‘m!’ Ongeduldig snuiven en blaten we door elkaar. De vuurvliegjes, Vredepijler en Aasbrenger hebben rust gevonden op de balken van het plafond. ‘Huh…?’ We horen geritsel in het hok naast mij, en staren vervolgens stil naar twee konijnenoren die omhoog komen. Een snuifje later zien we de snuit van Ramkonijn.


    ‘Fffffffttttt…’ Mijn trillende teleurgestelde zucht. Maar Ramkonijns ogen schitteren, en hij snuift enthousiast. 

    ‘We gaan Lamprei vinden. Ik ruik hem hier overal. Hij heeft mijn manier van graven gebruikt. Ik ga verder zoeken.’ Energiek keert hij zich om en zijn oren verdwijnen uit het zicht. Hoopvol tuur ik zijn witte pluim na…



    ‘Aw Oehhhh!’


    ‘Brrrrrr…’ Plotseling voel ik de rillingen over mijn ruggengraat lopen.

    ‘Ddddat kkkklinkt dichtbij…,’ snuif ik. Ramschaap kijkt door een kier van de hut. Hij begint te trillen. Zweetdruppels verschijnen op zijn kop.

    ‘Het zijn wolven,’ smiespelt hij, ‘iiiik herken zzze niet, ddddus zzze zijn niet vvvvan Vregio. En Verkrasser is er nog niet… Wwwwat mmmoeten wwwwwe nu?’ Met grote ogen gapen we elkaar aan.


    Wat nu??? 

    Moedeloos vraag ik het me af… 

    Worden we alsnog opgegeten???


    ‘Zo Broer!’ hoor ik dof keffen. Ik spring onder de poten door van Ramschaap. 

    ‘Huh?’ 

    Door de kier zie ik in het licht van de volle maan Raarschaap, die de huilende wolf aanspreekt.


    Broer? Ik begrijp er niets van…


    ‘Ha, klein broertje. Is het allemaal gelukt?’

    ‘Ik doe niet meer mee Broer. De hokken zijn leeg,’ blaft hij gedempt door de bekkorf heen. 

    ‘Wat zeg je daar,’ grauwt Broer verachtelijk, ‘mijn heerlijke maaltijd?’ Hij steekt zijn tong uit en zijn oren gaan omhoog. ‘Ben jij aangestoken door die halfgare gemeenschap? Ik had jou wel wijzer gedacht!’ Hij

    laat zijn tanden zien. Ineens grijp ik geschrokken de voorpoten van Ramschaap vast. Ook door hem voel ik een schok heen gaan…


    Ontsteld zien we Raarschaap zijn bekkorf afwerpen. Maar niet alleen de bekkorf ligt naast hem op het zachte mos. Ook zijn donkere, dikke wollen vacht!

    ‘Wat heb jij gedaan?’ Broers oren liggen inmiddels achterover. Hij knijpt zijn ogen samen en zijn staart steekt recht naar achteren.

    ‘Ik wil niet dat jij die kleine Lamprei en zijn Vregiovrienden te grazen neemt!’ De oren van Raarschaap staan iets naar voren. Zijn vacht staat omhoog en ik zie tot mijn afgrijzen scherpe snijtanden tevoorschijn komen, doordat hij zijn lippen opgetrokken heeft.


    ‘Hhhhhij is gggeen ssschaap,’ fluister ik verbijsterd. De stilte in de hut is oorverdovend…


    Volgende hoofdstuk


    Vorige hoofdstuk



    Hersenspinsels:

    1. Lamprei heeft goed op zijn vader gelet, zo blijkt. Het gangenstelsel heeft hij gemaakt zoals hij van zijn vader geleerd heeft! Hoe geweldig is het, wanneer ik zie dat mijn kinderen in mijn voetsporen treden. Denk jij net als ik, hierbij aan het vijfde gebod, dat we lezen in exodus 20 vers 12? Welke héérlijke belofte ligt hierin besloten?
    2. Is het wel zo goed, om in mijn voetsporen te treden? Als ik naar mijn verleden kijk en de dingen die ik gedaan heb? Moet ik regelmatig juist schuldig mijn hoofd schudden. Want het waren inderdaad mijn voetsporen en niet Zijn voetsporen! Met andere woorden: 'Heb ik de HEERE lief boven alle goden? En mijn naaste als mezelf? En doe ik deze dingen uit liefde voor Hem, omdat God mijn Schepper en Zaligmaker is? Omdat ik Hem wil eren en dienen? Of doe ik het, omdat ik mezelf groot wil maken in de goede werken bij mijn kinderen en de mensen? En dus mijn eigen verlangens vervullen? En jij? Wie zet jij centraal bij de keuzes die jij maakt in jouw dagelijkse leven? Efeze 6 is hierbij een heel toepasselijk schriftgedeelte om te raadplegen, waarin het vijfde gebod ook wordt aangehaald.
    3. En daarmee realiseer ik me, dat aan het vijfde gebod wel het tweede gebod vooraf gaat(exodus 20 vers 4, 5 en 6)! Want wanneer mijn kinderen mij volgen in het verkeerde, omdat ik mijn verlangens vervuld wil zien? En daarmee dus laat zien dat het belangrijk is jezelf centraal te stellen? Wat gebeurt er dan? Wie behoort de eer te krijgen?
    4. Hoop vult de hut, totdat het wolvengehuil de oren van de dieren bereikt... Angst! Zullen de wolven alle dieren alsnog verslinden? In handelingen 20 vers 17 tot 32 wordt de gemeente van Efeze gewaarschuwd voor wrede wolven die hen niet zullen sparen, nadat Paulus definitief afscheid van hen genomen heeft. Paulus waarschuwt om waakzaam te zijn en draagt hen op aan God en het Woord van Zijn genade... Wat doe ik ? En jij?

    dinsdag 18 januari 2022

    30) Mijn naam is Haas


    Ik wist niet dat ik nóg angstiger en wanhopiger kon worden. Ramkonijn zie ik ineenkrimpen. Verslagen sla ik mijn poten om hem heen. Een enorme woede komt omhoog. 


    Niet nog een keer!!! Mijn neefje móet gevonden worden.

     

    Verwilderd laat ik mijn familielid los en neem onbewust de leiding.

    ‘We moeten in de hut kijken en Raarschaap en Slang vinden! Verkrasser, dit kan toch niet!? Jij ziet goed in het donker, ga jij zoeken, ja?’ Het laatste klinkt scherp. Haast als een bevel aan onze grote leider. Zijn ogen staan verbaasd. Onthutst krast hij niet tegen en knikt instemmend. Waarna ik fier rechtop en vol energie en vertrouwen vervolg:

    ‘Wij nemen de vuurvliegjes mee naar de hut. Niet de moed verliezen Ramkonijn. We gaan jouw zoon vinden!’



    Waar het vandaan komt? Schepper zal het weten, want mijn naam is Haas…


    De volle maan is inmiddels achter de wolken verdwenen. Uil is opgestegen en vliegt met rustige vleugelslag door het bos. Zijn ogen spieden naar Raarschaap en Slang. Ondertussen zijn wij bij de hut aangekomen. Het is voor een groot deel overwoekerd met klimop. Ongemerkt versnelt mijn ademhaling. Mijn borst en buik zwellen op met frisse avondlucht, die weer met horten en stoten via mijn neus ontsnapt. De deur piept zachtjes bij het openen. 

    Die geur…! 

    Ik klem geschrokken de poot van Ramschaap.


    De geur van wolven… Zou…
    Mijn maag komt in opstand en ik knijp in mijn snuit, sluit even mijn ogen om mezelf resoluut aan te pakken. 

    Lamprei heeft ons nodig. 

    We gluren waakzaam naar binnen. Het is nog te donker. Ik kijk de aarzelende Ramkonijn aan en fluister:

    ‘Je hoeft niet mee naar binnen hoor. Ik kan samen met Ramschaap…’ Mijn onafgemaakte zin blijft in de lucht zweven, omdat Ramkonijn onwillig zijn kop schudt en vastberaden zegt:

    ‘Ik zou zijn moeder niet in de ogen durven kijken als ik jou alleen liet gaan, Haas. De vuurvliegjes vliegen over onze koppen naar binnen. Onzeker en bang voor hetgeen we te zien krijgen, poten we de drempel over. Instemmend volgen de schapen, naar hun aard.




    Aarzelend sta ik midden in de ruimte naast een tafel stil. Ik zie aan de achterwand van het huis verschillende hokken staan. Hun deuren staan open en de voederbakken die erin staan zijn leeg. Mijn ogen richten zich naar de rechterwand. Op planken die aan de wand bevestigd zijn, zie ik allerlei schedels van verschillende grootte liggen. Mijn adem stokt. Daaronder liggen allerlei dierenhuiden op de grond. Hoog in de hoeken van de ruimte zie ik allerlei spinrag…


    ‘Brrrrrrr,’ sinister…


    Onze ogen zijn groot van angst en afschuw. Ramschaap snuffelt tussen de huiden terwijl hij af en toe schichtig bezorgd kijkt naar de vader van Lamprei. Langzamerhand zie ik hem ontspannen…  

    ‘Hier zit geen vacht van een konijn tussen,’ blaat hij. Ook de schedels lijken niet in overeenkomst met onze kleine Lamprei. Opeens verstart hij en staart mij geschrokken aan. Een schapenvacht en…, een hazenvacht.


    ‘Vooi…,’ fluister ik met een snik, ‘ach Vooi…’

    Ik moet sterk zijn! Voor Ramkonijn. Niet toegeven. 

    Ik slik en knijp mijn ogen één tel stijf dicht, waarna ik een diepe trillende zucht slaak voordat ik snuif:

    ‘Geen Lamprei, Ramkonijn. Kom, we gaan de hokken onderzoeken. Ramkonijn snuffelt rond in het hok aan de linkerkant. Hij snuift onrustig...

    ‘Ik durf het nauwelijks te geloven mmmmmaar…, ik ruik onze Lamprei!’ prevelt hij. 

    ‘Dan is Lamprei hier geweest!’ roep ik verwachtingsvol uit. Er ligt stro rommelig in de hokken. Ik spring naar de hoek van het hok, waar een merkwaardig hoge hoop stro ligt en schuif het opzij. Mijn ogen worden groot van hoopvolle verbazing.


    ‘Kkkkijk…!’


    Volgende hoofdstuk


    Vorige hoofdstuk


    Hersenspinsels:

    1. Onverwachts neemt Haasje de leiding over van Verkrasser. En verrassend genoeg, laat deze het gebeuren. Alle dieren luisteren naar Haasje, die "dwangmatig" lijkt gedreven te worden door zijn verleden. Of is het iets anders wat hem drijft? Wanneer boosheid over onze angst gaat regeren, worden we vaak aangezet tot actie. Hoe voelt dat voor mij, vraag ik me af. En voor jou? 
    2. Haasje steunt Ramkonijn énorm. Hij wil hem vooral het vertrouwen geven dat ze Lamprei zullen vinden. Valse hoop? Houdt Haasje zichzelf nu ook voor de gek? Liggen leugen en waarheid af en toe niet héél dicht bij elkaar...? Ik wil dan zo graag de ander steunen door te zeggen: 'Het komt wel goed!' Maar diep in mijn hart heb ik zo mijn twijfels. Het voelt als liegen... Hoe gaan jullie daarmee om? Is een arm om iemand heen slaan en bidden niet genoeg?
    3. Ik sta er verbaasd van, hoe moedig Haasje is. Hij neemt Ramkonijn helemaal in bescherming! Ondanks zijn verdriet om de gevonden hazenvacht dat misschien van zijn Vooi was... Soms lijkt het gemakkelijker om met het verdriet van de ander om te gaan, dan met mijn eigen verdriet. Dat doet op zo'n moment te veel pijn. En dus stop ik het dan diep weg. "Gewoon", alsof het er niet is...  Herken je dat? Of heb je in jouw leven ervaren: Wie niet goed voor zichzelf zorgt, kan minder goed voor de ander zorgen? Wat zei Jezus in mattheüs 7? Wat is wijsheid in deze situatie? En dan komen mijn gedachten als vanzelf bij vraag 4...
    4. Is het goed om jouw/mijn verdriet en/of wanhoop terzijde te schuiven, om de ander te troosten en bij te staan? Tenslotte groeit alles wat je aandacht geeft. Ja toch? Hoe denk jij daarover? 
    5. En denk je daar nog steeds hetzelfde over, nadat je leviticus 19 vers 34deuteronomium 6 vers 5 en markus 12 vers 28 tot en met vers 34 gelezen hebt?


    29) Fijn kneepje

       ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...