donderdag 23 september 2021

21) Kokend voedsel

Ram neemt afscheid en hupt met gezwinde spoed richting de troep chimpansees, die gelukkig niet ver van de kudde olifanten wonen. Moerkonijn kijkt mij vragend aan:

‘Hoe verpoten* we al dit voer dat we verzameld hebben? Heb jij een idee?’

‘Ik heb een tas,’ antwoord ik, ‘en misschien mogen we de rieten manden van de Aasbrengers lenen?’

‘Slim! Zij wonen aan de Verkrassersweide,dat komt goed uit,’ reageert ze waarderend. ‘Laten we haast maken! Zodra Ram terug is, moet het klaar zijn...’


‘Poeh, dat was wel zwaar!’ verzucht ik even later, en laat opgelucht de last van mijn schouders glijden, vlak naast de stenen waarop de ketel staat. Moerkonijn en haar gezin volgen mijn voorbeeld en legen hun gevulde voorpoten.

‘Kroa, kroa,’ registreren mijn scherpe oren het karakteristieke geluid van raven. Moerkonijn glimlacht en zwaait met haar poot.


‘Aasbrenger?’

Eén van de zwarte vogels slaat zijn vleugels uit en land bij familie Sprong.

‘Ahhh, zegt u het eens?’ Er staat een vraagteken in zijn zwarte kraalogen. Moerkonijn legt uit wat ons plan is.


‘Rabb, rabb...,’ grinnikt hij, ‘u heeft hetzelfde plannetje als de muizen. Mijn collega is zojuist uitgevlogen om hen een mand te brengen. Als de zon wat hoger staat komt hij terug met een volle mand,’ snavelt hij tevreden. ‘Hoeveel manden denkt u nodig te hebben?’ vraagt Aasbrenger, en hij wenkt vervolgens met zijn vleugel dat zijn collega's uit de boom naar ons toe moeten komen.


********


Niet veel later spring ik gejaagd met twee van mijn grootste en sterkste neven, terug naar de burcht van Ram en Moer. De laatstgenoemde is samen met de rest van haar kroost achtergebleven op de weide, om het meegenomen voedsel in de ketel te deponeren. Aasbrenger en twee van zijn collega’s vliegen met de manden in hun klauwen mee. Lamprei moest helaas achterblijven bij zijn moeder.

‘Je bent een te grote hulp voor mij, ridder Lamprei!’ had ze tactisch tegen hem gesnuifd. Schoorpotend was hij bij haar gebleven.


Het werk is snel klaar. De Raven hebben er een flinke klauw aan om de volle manden terug te vliegen. Flitst door mijn gedachten. Vermoeid en voldaan komen we op de Verkrassersweide aan. Mijn lieve kleine neefje doet net de laatste wortel in de ketel. De lege manden wachten nu, om gevuld te worden met gekookt voedsel.


Wat is dit?


Plotseling hoor ik een regelmatig bonken. Steeds luider… Mijn hazenhartje begint sneller te kloppen. De grond gaat nog heftiger dreunen. De veroorzaker komt aan daveren. Lamprei springt en stampt van vreugde op de grond. Ramkonijn zit samen met een chimpansee op de rug van een Olifant. Moerkonijn trekt haar Kleintje snel veilig tussen haar poten. Ollie komt haar wat te dichtbij blijkbaar. Deze buigt zijn voorpoten zodat Ram en Japie van zijn rug glijden, en hij het nodige water in de ketel kan spuiten. Voorlopig heeft hij zijn taak volbracht. Japie wacht een lastigere opdracht. Het veld begint zich inmiddels met nog meer dieren te vullen.


‘Ik hoop dat het gaat lukken,’ weifelt Japie. Hij legt een plat plankje neer en pakt een lang rond stokje.

‘Hey Lamprei? Geef jij wat droge blaadjes en dunne fijne takjes aan mij?’ vraagt de chimpansee.

‘Ga je gang,’ snuift Moer toestemmend en vervolgt direct nadrukkelijk. ‘Wel op afstand blijven! Japie doet een gevaarlijk werkje...’

Rustig begint deze het stokje tussen zijn voorpoten te draaien. Daarbij drukt hij het stokje stevig op het plankje. Sneller, steeds sneller draait het stokje…

Zweet parelt Japie op zijn voorkop.

‘Pffff, dat duurt lang…’ Eindelijk wordt het zachte hout heet. Een kringeltje rook stijgt omhoog. Hij raapt het plankje behoedzaam op en legt het tussen de rechtopstaande stenen, onder het rooster waar de ketel op staat. Snel legt hij de droge blaadjes en takjes op de rook. Op een klein afstandje blaast Japie het vuur zachtjes verder aan. Een voorzichtig likje oranje vlam laat zich zien. De overige dieren blijven angstig op een veilige afstand staan. Nog een paar keer blazen en verschillende vlammetjes likken aan de takjes en blaadjes.


‘Meer takken en blaadjes!’ roept de aap. Met vlugge bewegingen gooit hij het erop. Eindelijk knappert er een lustig vuurtje onder de ketel. Na nog meer geduld beoefend te hebben, gaat het water koken.


‘Hoe lang moet dit nu koken?’ vraagt Moerkonijn aan Moedermuis. Die haalt onwetend haar schouders op, en kijkt op haar beurt vragend naar Aasbrenger. Ook hij weet het niet. De Schapen blaten wat onder elkaar. Slang sist met Gazelle. En inmiddels zijn ook de wolven aanwezig, om nieuwsgierig te proeven van de maaltijd. Het is een geroezemoes van belang. Aasbrenger vliegt eens hoog over de ketel heen. Vliegt geschrokken nog ietsje hoger vanwege de hitte, en ziet in een oogwenk dat het eten geslonken is. De geur die eruit opstijgt kan hem niet echt behagen. Hij landt bij Moerkonijn op de grond.

‘Het lijkt me, dat we de ketel kunnen afgieten.’

‘Ouch...!’ gilt Japie het uit, als hij de ketel pakt. Zijn poottoppen* steekt hij in zijn bekje en met een pijnlijke blik in zijn ogen danst hij op zijn achterpoten.


Een poosje later kan de afgekoelde ketel wel afgegoten worden. Hij is driekwart vol. Het eten laten ze voor de zekerheid nog verder afkoelen. Daarna delen de Aasbrengers het aan Beer en Berin met hun welpjes, de wolven, Slang, schapen, Leeuw met zijn Leeuwin en welpjes, en Moervos met Rekel en zijn welpjes, en nog vele andere dieren. Japie sluit de rij. Allen gemotiveerd om het nieuwe dieet vorm te geven in hun leven.

Hoopvol kijken de muisjes, Ollie, mijn familie en ik toe.

Zou het smaken? Of…, is al ons werk voor niets geweest!???



*Vervoeren

**Vingertoppen


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk



20) Blij door Haas en Lamprei


Ik herken mezelf in de ongeduldige kleine Lamprei, en glimlach onwillekeurig. Wij richten ons beider gespannen, vragende en verlangende ogen op Ramkonijn.

Zou het mogen?

Ik zie wederom een vrolijke tinteling verschijnen, hij begint te lachen en grapt:

‘Tegen twee zulke bedelaars kan ik niet op! Maar…,’ vervolgt hij liefdevol resoluut, ‘nu moet jij wel lief gaan slapen Lampje!’ Ik voel het pootje van Kleintje ontspannen.

‘Breng jij mij naar mijn mosmatje*, oom Haas? En ga je me ietsiepietsie verklappen?’ Ik grinnik om de grote, smekende, nieuwsgierige oogjes van mijn neefje.

‘Doe het maar,’ snuift Moerkonijn goedig. En verklap het geheimpje ook maar, anders slaapt hij toch niet...’ zucht ze gespeeld geërgerd. Na mijn taak volbracht te hebben, lig ik op mijn beurt lekker op mijn mosmatje. Vermoeid van alle gebeurtenissen val ik, ondanks de vele gedachten die in mijn kop spoken, snel in slaap.

**********


Ik kijk enigszins verbaasd om mij heen. Oh ja! Realiseer ik me. 

Lamprei! Zijn naam schiet door mijn gedachten. Mijn voor- en achterpoten rek ik behaaglijk uit, in het nest van zacht verend mos en droog gras. 

Wat heb ik heerlijk geslapen! Hoe laat zou het zijn? Het is nog muisstil. Het moet vroeg zijn... 

Zonder een enkel geluid te maken, sta ik op en sluip de burcht door, richting het nestje van mijn neefje. Zachtjes fluister ik in zijn oor:
‘Lamprei…’
‘Oom H…!’ zijn luide snuif weergalmt in de stilte van zijn kamertje.

‘Ssssssst,’ fluister ik verschrikt en zacht met mijn poot voor zijn snuit.

‘Oeps! Sorry,’ fluistert hij terug.

‘Kom!’ Gebaar ik. Samen sluipen we ongemerkt de burcht uit.

Buiten horen we alleen het zachte ruisen van de wind. Het is nog donker. Dankbaar maken we van de zwakke lichtstralen van de volle maan gebruik.
Fijn!
Blij ben ik met mijn goede neus, die de geuren van mijn doel oppikt. Het zintuig wijst me naar de rand van het bos, dat niet ver huppelen is voor ons beiden. Daar staan brandnetels, en in het boerenland naast het bos ontwaar ik een veld met allemaal wortels. Met glimmende oogjes en enthousiaste pootjes graven we enkele wortels uit de grond. Ook plukken we enige brandnetels. We stoppen alles in mijn tas van stevig gevlochten stro. Waakzaam en met mijn oren gespitst kijk ik over het veld heen. Een prachtige geel oranje gloed komt op, tussen de scheiding van land en lucht… Ik stoot Lamprei aan:

‘Kijk!’

‘Wow…,’ Kleintje zucht bewonderend. Samen genieten we een paar
snuifteugen** van de opkomende warme schoonheid van de zon. Weemoed…


Naast het veld met wortels is een groot heidegebied. De schapen zijn ook wakker geworden en vrijgelaten uit de schaapskooi, die aan de rand van het heidegebied staat. Ze verorberen gras, en de malse jonge boompjes die tussen de heide staan.


‘Horen zij ook bij Vregio?’ vraag ik nieuwsgierig aan Lamprei. Hij knikt bevestigend en huppelt hen tegemoet.

‘Hey, Ramlam!’ gilt Kleintje zijn vriendje toe. Verbaasd gaat er een kopje omhoog en het blaat:
‘Jij bent vroeg!’

‘Ja, we hebben een verrassing voor Ram en Moer,’ grinnikt de aangesprokene terwijl hij zijn oogjes over de kudde laat gaan.
‘Hé? Hebben jullie een nieuw familielid? Dat zwarte schaap daar?’

‘Ja,’ zegt Ramlam korzelig zijn schouders ophalend, ‘hij heeft zich gisteren bij ons aangesloten. Ik vind het een raar schaap. Ooi zegt dat ik aardig tegen hem moet doen…’

‘Ik heb ook een nieuwe oom,’ zegt Lamprei trots naar mij wijzend, ‘hij is niet raar, wel anders.’

Mijn beide achterpoten komen op de grond. Het is laat!
‘Dag Ramlam. Ik heet Haas. Jammer dat we niet langer kunnen blaten met je. We moeten echt gaan als we op tijd klaar willen zijn met onze verrassing. Andere keer, ja?’ Vlug springen we met de tas in mijn sterke voorpoten richting de burcht.

Ram en Moer huppen de burcht uit. De twee "vroege" neven zijn precies klaar.


‘Hebben jullie dit gedaan, Lamprei en Haas?’ Uitnodigend liggen de wortels in hartvorm op de aarde. In het midden van het hart liggen de brandnetels verspreid.

‘Je hebt niets teveel gezegd Haas. Hartelijk dank!’ reageren beiden door elkaar. Ram slaat zijn linkerpootje om Moer heen, kijkt haar diep in de ogen, en plant een liefdevol zoentje op haar snuit. Ik zie de kleur van haar wangen verdiepen... Mijn neefje doet zijn pootje voor zijn snuitje en fluistert ondeugend:
‘Het zou me niet verbazen als ik binnenkort weer broertjes en zusjes zou krijgen.’ Verschrikt kijk ik hem met een blozende kop aan.


Na het eten stampt Ram met zijn achterpoten.
‘Lieve familie. Gisteren hebben we eten verzameld voor de carnivoren. Vandaag gaan we dat met zijn allen naar de gietijzeren ketel van Verkrasser brengen, en stoppen het erin.’ Naar mij richt hij zich specifiek:

‘Help jij sjouwen, grote sterke Rammelaar? Dat schenkt mij de mogelijkheid Ollie en Japie te halen, om hun bijdrage te leveren.’



*Bed of nest

**Ademteugen


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Wanneer de vrachtwagen in onze straat kwam om het glas op te halen wilde mijn, toen nog kleine, zoontje kijken. Zijn ogen glinsterden bij het kijken naar hoe de glasbak opgetild werd, en daarna geleegd in de vrachtwagen. Het ontdekken van allerlei dingen door mijn kinderen en nu kleinkinderen, maakt dat ik er met andere ogen naar kijk. Alsof het nieuw voor mij is... Hoe ervaar jij dat?
  2. In Mattheüs 18 vers 1 tot en met 9 lees je dat Jezus zegt dat wij als een kind moeten worden. Wat bedoelt Hij daarmee? Zoals in de vraag hierboven? Of tóch anders?
  3. Je hoort hier Ramlam zeggen dat hij het eigenlijk helemaal niet leuk vindt om aardig te zijn voor het 'rare' schaap. Desondanks is hij gehoorzaam aan zijn moeder. In jouw groep/kerk/klas is er misschien ook een buitenbeentje? Een vreemde snuiter als het ware... Zo staat hij/zij bekend. Hoe behandel jij deze persoon?
  4. Iedereen heeft zo zijn talenten/gaven. Van wie heb je die gekregen? Hoe en waar zet jij die in, in deze maatschappij? En voor Wie doe je dat?


29) Fijn kneepje

   ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...