Na het respectvolle afscheid van Verkrasser, maakt ieder dier aanstalten om naar zijn hol of nest te gaan. In mijn kop is het een enorme chaos van gedachten. Ik zie Leeuw samen met zijn gezin sloom wegtrekken. De donkere, ietwat bozige uitstraling, kan ik niet goed plaatsen met wat ik tijdens het zingen en het afscheid zag. Wild schudt hij met zijn manen. ‘Brrrr…’
Japie is weer op de rug van Ollie geklommen. Ram en Moer zwaaien.
‘Bedankt Ollie en Japie! We zien jullie morgen weer? Zelfde zonnestand?’ Een bevestigende tetter is het antwoord, en al snel verdwijnen ze uit het zicht. Slang zie ik langzaam en stilletjes wegschuifelen. Een kleine kudde schapen loopt zacht blatend het pad op, dat richting de heide gaat. Ik laat me stilletjes door Lamprei meetrekken.
‘Ramlam!’ De rust, die voor mij gespannen aanvoelt, wordt verbroken door mijn kleine neefje. ‘Spelen?’ Verlangend kijkt hij wisselend naar zijn Moer en zijn vriendje.
Moer twijfelt.
‘Toe,’ zegt Ramkonijn toegeeflijk, ‘laat Lamprei even lekker jong zijn.’
‘Ga jij mee Haas?’ vraagt Lamprei. Aarzelend schud ik vermoeid en zwijgend mijn kop.
Hoe lief ik hem ook vind? Rust! Even alleen zijn…
Begripvol knikt Moer, die de aard van ons hazen wel kent.
‘Kom bij ons spelen, Ramlam. We brengen je voor zonsondergang naar huis.’ Beschermend legt zij haar pootjes op de schouders van haar jongste schattebout. Lamprei kijkt met verontwaardigde ogen zijn bezorgde moeder aan. Plotseling fluistert hij de woorden van Verkrasser: ‘Die krijs…, was van mij! Het oude verlangen naar vlees!’
Zuchtend legt hij zich neer bij de beslissing van zijn moeder. Echter, een ondeugend en impulsief plannetje rijpt in zijn kleine brein...
Aangekomen bij de burcht van de familie Sprong, trek ik me in het bos terug. In de verte hoor ik Lamprei en Ramlam vrolijk gillen en blaten. Lamprei-achtige onschuld… Ach…, bezat ik dat nog maar…
Bedenk ik verdrietig.
‘Ssssssssssssssss,’ sist Slang naast mij. Als mijn ogen en oren niet zo scherp waren geweest, had ik hem niet het hoge gras in zien glijden, richting het wortelveld. Onbewust gingen ook mijn sprongen die kant op, merk ik op.
Waarom? Ach wat boeit het!
Ik beweeg mijn kop en schouders ruw heen en weer om de onzichtbare zware last af te werpen. Het heeft geen zin... Langzaam verdwijnen de vrolijke geluiden op de achtergrond, tot zij helemaal verdwenen zijn. Pootvoets* ga ik vooruit, vol gedachten die niet blijven hangen. Enigszins angstig kijk ik om mij heen.
Als Verkrasser bijna Rat ging doden, zou Wolf dan niet…?
De koude rillingen lopen over mijn rug.
Kan ik niet beter terug?
Ik spits mijn oren en ruik met mijn neus.
Nee, ik ruik geen wolven. Nog even een poosje alleen!
De zon staat aan de strakblauwe hemel en geeft zijn laatste krachtige stralen over het wortelveld. De boer heeft een flinke oogst. Ongemerkt verstrijkt de tijd.
Schaduwen worden langer. Een vermoeiende dag is het geweest. Morgen komt er een nieuwe dag aan zorgen. Vandaag is bijna voorbij.
Ik moet de veiligheid van de burcht zoeken.
Zo constateer ik.
Maar wacht!? Wat zie ik daar?
Ik knijp mijn ogen samen om scherper te zien.
Het is een prachtig wit Paard met een Ruiter! Aan de overkant van het veld…
Er schittert iets aan zijn middel. Wat het is kan ik echter niet goed zien. Hoe het komt weet ik niet. Plotsklaps voel ik dat er rust in mijn hazenhartje komt.
Vrede…
Het wortelveld kleurt oranje van de naderende nacht. Ik spring erin en eet een worteltje. Enkele wortels neem ik mee voor de familie Sprong. Nog één keer kijk ik hoopvol naar de overkant van het veld, en zie het witte Paard met zijn Ruiter zich nèt omdraaien. Hij vertrekt van het land, richting de heuvels waar eens mijn leefomgeving was.
Opschieten, voor de duisternis mij overvalt!
Haastig kom ik aangesprongen. ‘Haas! Haas!’ gilt Moer. ‘Heb jij Lamprei gezien!? Samen met Ramlam is hij verdwenen!’ Wanhopig kijkt Moer mij potenwringend** aan.
Nee… Niet Lamprei!!!
*Stapvoets
**Handenwringend
Hersenspinsels:
- Het respectvolle afscheid is in tegenspraak van het ietwat bozige gezicht van Leeuw. Het maakt extra Haasje verward. Het lijkt erop, dat Leeuw zich heeft laten meeslepen in de emotie van het moment. Zouden zijn emoties geregeerd hebben over zijn verstand? Laat ik mijn emoties regeren over mijn verstand? Of leer ik van mijn emoties en ga ik er verstandig mee om? Dat laatste vind ik soms heel moeilijk. Vooral als mijn emoties heel heftig zijn...
- Alhoewel verontwaardigd laat Lamprei zich, met zijn heerlijke jonge onschuld, leiden door zijn Moer en Ramkonijn, wanneer Moer hem stilzwijgend helpt herinneren aan de krijs van Verkrasser... Eigenlijk vind ik het tegenstrijdig van Moer. Ze was even daarvoor nog vol respect voor Verkrasser! Wanneer je psalm 51 vers 18 en 19 leest, hoor je David zeggen: 'Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen. De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.' Hoe serieus nemen zij en Haasje de schuldbelijdenis van Verkrasser?(gedaan in hoofdstuk 23)
- En Ramkonijn tevens! Voelen zij zich dan toch onveilig? Kennen zij micha 7 vers 19 niet? Op Wie stellen zij hun vertrouwen?
- Eén van mijn kinderen had snoepjes uit de kast gepikt. Eerst loog hij daarover, maar toen ik de snoeppapiertjes onder zijn matras gevonden had, kon dat niet meer. Hij beloofde het niet meer te doen. Maar toen ik weer snoepjes miste, wie vroeg ik het eerste? Júist! Je raad het al... En dan lees ook ik micha 7 vers 19. Is het dan goed van mij om zo te reageren? Ik lees psalm 51 opnieuw. Waaraan kan ik een oprechte schuldbelijdenis herkennen? Is dat voor een mens wel mogelijk? In hoeverre kan en mag ik de gesproken woorden van mensen, in dit geval mijn zoontje, vertrouwen? Of moet ik dat gewoon doen, dat vertrouwen?
- Hoe ga ik ermee om, wanneer mijn kind steeds weer in diezelfde zonde valt? Hoe lees ik dat in mattheüs 18 vers 21 en 22. Misschien beter om het hele hoofdstuk lezen?




.webp)









.webp)
.webp)

.webp)