maandag 24 januari 2022

31) Oorverdovend stil

 


Ramkonijn komt haastig aangehuppeld.

‘Een gang in de grond,’ mompelt hij verbluft. Door elkaar blatend staan de schapen voor de tralies van het hok. Ongeduldig trappelend vragen zij:

‘Ga je erin? Is het van Lamprei? Waar gaat het heen? Ga jij erin Haas?’ Mijn oren hangen plat naar beneden van teleurstelling.

‘Het is te klein. Ramkonijn past er wel door. Durf jij te gaan?’

‘Voor mijn zoon doe ik alles neef. Ik ga mijn neus achterna. Lamprei is in de buurt, werkelijk waar!’ Ik zie zijn witte pluim al snel in de donkere gang verdwijnen. Gedempt hoor ik hem snuiven:

‘Ik sta bij een splitsing. Hmmm, rechtsaf ga ik weer iets naar boven. Ik ruik ‘m!’ Ongeduldig snuiven en blaten we door elkaar. De vuurvliegjes, Vredepijler en Aasbrenger hebben rust gevonden op de balken van het plafond. ‘Huh…?’ We horen geritsel in het hok naast mij, en staren vervolgens stil naar twee konijnenoren die omhoog komen. Een snuifje later zien we de snuit van Ramkonijn.


‘Fffffffttttt…’ Mijn trillende teleurgestelde zucht. Maar Ramkonijns ogen schitteren, en hij snuift enthousiast. 

‘We gaan Lamprei vinden. Ik ruik hem hier overal. Hij heeft mijn manier van graven gebruikt. Ik ga verder zoeken.’ Energiek keert hij zich om en zijn oren verdwijnen uit het zicht. Hoopvol tuur ik zijn witte pluim na…



‘Aw Oehhhh!’


‘Brrrrrr…’ Plotseling voel ik de rillingen over mijn ruggengraat lopen.

‘Ddddat kkkklinkt dichtbij…,’ snuif ik. Ramschaap kijkt door een kier van de hut. Hij begint te trillen. Zweetdruppels verschijnen op zijn kop.

‘Het zijn wolven,’ smiespelt hij, ‘iiiik herken zzze niet, ddddus zzze zijn niet vvvvan Vregio. En Verkrasser is er nog niet… Wwwwat mmmoeten wwwwwe nu?’ Met grote ogen gapen we elkaar aan.


Wat nu??? 

Moedeloos vraag ik het me af… 

Worden we alsnog opgegeten???


‘Zo Broer!’ hoor ik dof keffen. Ik spring onder de poten door van Ramschaap. 

‘Huh?’ 

Door de kier zie ik in het licht van de volle maan Raarschaap, die de huilende wolf aanspreekt.


Broer? Ik begrijp er niets van…


‘Ha, klein broertje. Is het allemaal gelukt?’

‘Ik doe niet meer mee Broer. De hokken zijn leeg,’ blaft hij gedempt door de bekkorf heen. 

‘Wat zeg je daar,’ grauwt Broer verachtelijk, ‘mijn heerlijke maaltijd?’ Hij steekt zijn tong uit en zijn oren gaan omhoog. ‘Ben jij aangestoken door die halfgare gemeenschap? Ik had jou wel wijzer gedacht!’ Hij

laat zijn tanden zien. Ineens grijp ik geschrokken de voorpoten van Ramschaap vast. Ook door hem voel ik een schok heen gaan…


Ontsteld zien we Raarschaap zijn bekkorf afwerpen. Maar niet alleen de bekkorf ligt naast hem op het zachte mos. Ook zijn donkere, dikke wollen vacht!

‘Wat heb jij gedaan?’ Broers oren liggen inmiddels achterover. Hij knijpt zijn ogen samen en zijn staart steekt recht naar achteren.

‘Ik wil niet dat jij die kleine Lamprei en zijn Vregiovrienden te grazen neemt!’ De oren van Raarschaap staan iets naar voren. Zijn vacht staat omhoog en ik zie tot mijn afgrijzen scherpe snijtanden tevoorschijn komen, doordat hij zijn lippen opgetrokken heeft.


‘Hhhhhij is gggeen ssschaap,’ fluister ik verbijsterd. De stilte in de hut is oorverdovend…


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk



Hersenspinsels:

  1. Lamprei heeft goed op zijn vader gelet, zo blijkt. Het gangenstelsel heeft hij gemaakt zoals hij van zijn vader geleerd heeft! Hoe geweldig is het, wanneer ik zie dat mijn kinderen in mijn voetsporen treden. Denk jij net als ik, hierbij aan het vijfde gebod, dat we lezen in exodus 20 vers 12? Welke héérlijke belofte ligt hierin besloten?
  2. Is het wel zo goed, om in mijn voetsporen te treden? Als ik naar mijn verleden kijk en de dingen die ik gedaan heb? Moet ik regelmatig juist schuldig mijn hoofd schudden. Want het waren inderdaad mijn voetsporen en niet Zijn voetsporen! Met andere woorden: 'Heb ik de HEERE lief boven alle goden? En mijn naaste als mezelf? En doe ik deze dingen uit liefde voor Hem, omdat God mijn Schepper en Zaligmaker is? Omdat ik Hem wil eren en dienen? Of doe ik het, omdat ik mezelf groot wil maken in de goede werken bij mijn kinderen en de mensen? En dus mijn eigen verlangens vervullen? En jij? Wie zet jij centraal bij de keuzes die jij maakt in jouw dagelijkse leven? Efeze 6 is hierbij een heel toepasselijk schriftgedeelte om te raadplegen, waarin het vijfde gebod ook wordt aangehaald.
  3. En daarmee realiseer ik me, dat aan het vijfde gebod wel het tweede gebod vooraf gaat(exodus 20 vers 4, 5 en 6)! Want wanneer mijn kinderen mij volgen in het verkeerde, omdat ik mijn verlangens vervuld wil zien? En daarmee dus laat zien dat het belangrijk is jezelf centraal te stellen? Wat gebeurt er dan? Wie behoort de eer te krijgen?
  4. Hoop vult de hut, totdat het wolvengehuil de oren van de dieren bereikt... Angst! Zullen de wolven alle dieren alsnog verslinden? In handelingen 20 vers 17 tot 32 wordt de gemeente van Efeze gewaarschuwd voor wrede wolven die hen niet zullen sparen, nadat Paulus definitief afscheid van hen genomen heeft. Paulus waarschuwt om waakzaam te zijn en draagt hen op aan God en het Woord van Zijn genade... Wat doe ik ? En jij?

dinsdag 18 januari 2022

30) Mijn naam is Haas


Ik wist niet dat ik nóg angstiger en wanhopiger kon worden. Ramkonijn zie ik ineenkrimpen. Verslagen sla ik mijn poten om hem heen. Een enorme woede komt omhoog. 


Niet nog een keer!!! Mijn neefje móet gevonden worden.

 

Verwilderd laat ik mijn familielid los en neem onbewust de leiding.

‘We moeten in de hut kijken en Raarschaap en Slang vinden! Verkrasser, dit kan toch niet!? Jij ziet goed in het donker, ga jij zoeken, ja?’ Het laatste klinkt scherp. Haast als een bevel aan onze grote leider. Zijn ogen staan verbaasd. Onthutst krast hij niet tegen en knikt instemmend. Waarna ik fier rechtop en vol energie en vertrouwen vervolg:

‘Wij nemen de vuurvliegjes mee naar de hut. Niet de moed verliezen Ramkonijn. We gaan jouw zoon vinden!’



Waar het vandaan komt? Schepper zal het weten, want mijn naam is Haas…


De volle maan is inmiddels achter de wolken verdwenen. Uil is opgestegen en vliegt met rustige vleugelslag door het bos. Zijn ogen spieden naar Raarschaap en Slang. Ondertussen zijn wij bij de hut aangekomen. Het is voor een groot deel overwoekerd met klimop. Ongemerkt versnelt mijn ademhaling. Mijn borst en buik zwellen op met frisse avondlucht, die weer met horten en stoten via mijn neus ontsnapt. De deur piept zachtjes bij het openen. 

Die geur…! 

Ik klem geschrokken de poot van Ramschaap.


De geur van wolven… Zou…
Mijn maag komt in opstand en ik knijp in mijn snuit, sluit even mijn ogen om mezelf resoluut aan te pakken. 

Lamprei heeft ons nodig. 

We gluren waakzaam naar binnen. Het is nog te donker. Ik kijk de aarzelende Ramkonijn aan en fluister:

‘Je hoeft niet mee naar binnen hoor. Ik kan samen met Ramschaap…’ Mijn onafgemaakte zin blijft in de lucht zweven, omdat Ramkonijn onwillig zijn kop schudt en vastberaden zegt:

‘Ik zou zijn moeder niet in de ogen durven kijken als ik jou alleen liet gaan, Haas. De vuurvliegjes vliegen over onze koppen naar binnen. Onzeker en bang voor hetgeen we te zien krijgen, poten we de drempel over. Instemmend volgen de schapen, naar hun aard.




Aarzelend sta ik midden in de ruimte naast een tafel stil. Ik zie aan de achterwand van het huis verschillende hokken staan. Hun deuren staan open en de voederbakken die erin staan zijn leeg. Mijn ogen richten zich naar de rechterwand. Op planken die aan de wand bevestigd zijn, zie ik allerlei schedels van verschillende grootte liggen. Mijn adem stokt. Daaronder liggen allerlei dierenhuiden op de grond. Hoog in de hoeken van de ruimte zie ik allerlei spinrag…


‘Brrrrrrr,’ sinister…


Onze ogen zijn groot van angst en afschuw. Ramschaap snuffelt tussen de huiden terwijl hij af en toe schichtig bezorgd kijkt naar de vader van Lamprei. Langzamerhand zie ik hem ontspannen…  

‘Hier zit geen vacht van een konijn tussen,’ blaat hij. Ook de schedels lijken niet in overeenkomst met onze kleine Lamprei. Opeens verstart hij en staart mij geschrokken aan. Een schapenvacht en…, een hazenvacht.


‘Vooi…,’ fluister ik met een snik, ‘ach Vooi…’

Ik moet sterk zijn! Voor Ramkonijn. Niet toegeven. 

Ik slik en knijp mijn ogen één tel stijf dicht, waarna ik een diepe trillende zucht slaak voordat ik snuif:

‘Geen Lamprei, Ramkonijn. Kom, we gaan de hokken onderzoeken. Ramkonijn snuffelt rond in het hok aan de linkerkant. Hij snuift onrustig...

‘Ik durf het nauwelijks te geloven mmmmmaar…, ik ruik onze Lamprei!’ prevelt hij. 

‘Dan is Lamprei hier geweest!’ roep ik verwachtingsvol uit. Er ligt stro rommelig in de hokken. Ik spring naar de hoek van het hok, waar een merkwaardig hoge hoop stro ligt en schuif het opzij. Mijn ogen worden groot van hoopvolle verbazing.


‘Kkkkijk…!’


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Onverwachts neemt Haasje de leiding over van Verkrasser. En verrassend genoeg, laat deze het gebeuren. Alle dieren luisteren naar Haasje, die "dwangmatig" lijkt gedreven te worden door zijn verleden. Of is het iets anders wat hem drijft? Wanneer boosheid over onze angst gaat regeren, worden we vaak aangezet tot actie. Hoe voelt dat voor mij, vraag ik me af. En voor jou? 
  2. Haasje steunt Ramkonijn énorm. Hij wil hem vooral het vertrouwen geven dat ze Lamprei zullen vinden. Valse hoop? Houdt Haasje zichzelf nu ook voor de gek? Liggen leugen en waarheid af en toe niet héél dicht bij elkaar...? Ik wil dan zo graag de ander steunen door te zeggen: 'Het komt wel goed!' Maar diep in mijn hart heb ik zo mijn twijfels. Het voelt als liegen... Hoe gaan jullie daarmee om? Is een arm om iemand heen slaan en bidden niet genoeg?
  3. Ik sta er verbaasd van, hoe moedig Haasje is. Hij neemt Ramkonijn helemaal in bescherming! Ondanks zijn verdriet om de gevonden hazenvacht dat misschien van zijn Vooi was... Soms lijkt het gemakkelijker om met het verdriet van de ander om te gaan, dan met mijn eigen verdriet. Dat doet op zo'n moment te veel pijn. En dus stop ik het dan diep weg. "Gewoon", alsof het er niet is...  Herken je dat? Of heb je in jouw leven ervaren: Wie niet goed voor zichzelf zorgt, kan minder goed voor de ander zorgen? Wat zei Jezus in mattheüs 7? Wat is wijsheid in deze situatie? En dan komen mijn gedachten als vanzelf bij vraag 4...
  4. Is het goed om jouw/mijn verdriet en/of wanhoop terzijde te schuiven, om de ander te troosten en bij te staan? Tenslotte groeit alles wat je aandacht geeft. Ja toch? Hoe denk jij daarover? 
  5. En denk je daar nog steeds hetzelfde over, nadat je leviticus 19 vers 34deuteronomium 6 vers 5 en markus 12 vers 28 tot en met vers 34 gelezen hebt?


donderdag 28 oktober 2021

28) Onverwachte komst


Ramkonijn komt haastig en geschrokken naast me staan. Schaapachtige ogen staren mij aan. Met zijn poot raapt hij het paars-wit gestipt doekje op. Verbleekt weliswaar, maar ik herken het duidelijk. Ik grijp naar het stukje stof dat ik altijd bij me draag, en laat het droevig en stilzwijgend aan de vader van Lamprei zien. Zijn volhardende, niet begrijpende blik doet tot in het diepst van mijn ziel pijn… 

Hij kent mijn verhaal natuurlijk niet! Realiseer ik me. Geen van allen. Alleen Aasbrenger en Vredepijler. Waren die nu maar hier. Hoe kan ik deze boodschap met Ramkonijn delen? Verzucht ik in stilte.


‘Kkkkunnen Aasbrenger en Vredepijler nnnnniet komen?’ Mijn voorpoten grijpen naar mijn buik, struikelend breek ik door de kring van dieren heen en spuug de gehele inhoud van mijn maag op het gras. Met lege ogen, wanhopig starend naar het uitbraaksel. In gedachten zie ik Lamprei. Zijn vader geeft mij een warme ompoting*.
Hoe kan hij zo rustig blijven? Ach…, hij weet het niet… 


‘Hhhhhfffffff.’

Een diepe, radeloze zucht.

‘Is het zó erg?’ hoor ik gealarmeerd en bezorgd zijn snuif als van ver komen. Een klein knikje is het enige antwoord dat ik geven kan…

‘Ga snel Vredepijler halen,’ geeft Ramkonijn het bevel aan een paar vuurvliegjes.


Mijn achterpoten begeven het. Ik plof op de zachte ondergrond. Ontzet en ongeduldig smekende ogen van de kring dieren, gapen mij aan. Maar ik? Ik voel alleen intens verdriet en verslagenheid.


Mijn lieve neefje Lamprei is…, dood! Hoe zeg ik dat tegen zijn vader??? ‘Pfffffffffffffffft…’

                                                *******

De stilte is beklemmend. Moed ontbreekt mij om te snuiven... De maan schuift langzaam op. 'Pffffffff...' Vredepijler arriveert, samen met Aasbrenger en de vuurvliegjes! Gewillig wordt de kring groter gemaakt, zodat de beide vogels bij Ramkonijn en mij kunnen neerstrijken. Schor stamel ik: 

‘Kkkkkijk, dddit iiis de mijne en ddddiiit isss…’ mijn stem breekt. De beide dienstkruiers bekijken de doekjes. Schudden licht hun kopjes. Zij geven Lampreis vader een hartversterkend vleugelklopje.


‘De vuurvliegjes hebben ons onderweg volledig geïnformeerd. We begrijpen dat je ontzettend geschrokken bent door het vinden van dit paars-wit gestipte doekje, lieve Haas. Laten we alsjeblieft niet van het ergste uitgaan.’

‘Maar de wolf…,’ fluister ik angstig en zacht.

‘Wat zeg je daar?’ vraagt ineens het rare schaap vanuit de kring. Ik kijk hem aan. Zo raar is hij nu ook weer niet. Alleen een andere kleur. Donkerbruin. Bijna zwart. Op zijn beurt beantwoordt hij mijn vragende blik met zijn eigen vragen:

‘Wat bedoel je met een wolf? Ik heb vanmiddag een roedel wolven gezien. Bedoel je dat die…?’ hij maakt zijn zin niet af, en ik voel de spanning stijgen. Vredepijler reageert doortastend en hoopvol, maar verliest niet de realiteit uit het oog.

‘Het zou kunnen dat jouw wolf iets te maken heeft met de verdwijning van Lamprei. Dit hoeft het echter nog niet te betekenen. Ook tot onze gemeenschap behoren wolven. En Wolf is zelfs één van de beste vrienden van Lamprei. Nee…,’ schudt hij zijn witte kopje, ‘de Ruiter op het witte Paard heeft jullie niet voor niets hiernaartoe geleid.’ Geruststellend legt hij zijn ene vleugel op mijn poot en de andere op die van Ramkonijn. ‘Ik vermoed dat dat ons veel te zeggen heeft. Misschien is het wel wijs om het spoor van jouw wolf te volgen?’ Het schaap knikt.


‘Ik heb het allemaal aangehoord.’ Aasbrenger neemt de leiding over en snavelt verder. ‘Wijs jij ons de weg?’ Aarzelend komt Raarschaap, zoals ik hem stiekem noem, overeind. 

‘Oké.’ Bevend van angst sta ik op. 

Zou ik de moordenaar van mijn lieve drachtige Vooi gaan ontmoeten…? Hoe kan Vredepijler nog zo rustig zijn?

‘Brrrrrrrr,’ ik ril onwillekeurig en in de ogen van Ramkonijn zie ik mijn vrees weerspiegeld. Desondanks neemt hij mijn poot troostend in zijn poot.

‘Kom…, we gaan hem vinden,’ spreekt hij hoopvol uit. Wolken schuiven voor de maan. De vuurvliegjes luisteren goed naar Raarschaap en gaan ons voor, en dat is hard nodig!

Vermoeidheid voel ik niet. Het verlangen om Lamprei te vinden is te groot. Met gespitste oren tracht ik elk verdacht geluid waar te nemen, en met mijn neus probeer ik de geur van wolven te herkennen. Ramkonijn doet hetzelfde.

Bons!


Ineens kom ik hardhandig tegen het achterwerk van Raarschaap tot stilstand. 

‘Daar… Daar waren de wolven.’ Hij wijst naar een klein hutje midden in het bos.

‘Misschien kunnen eerst de vogels gaan kijken? Die hebben geen kwaad te duchten van wolven,’ blaat hij angstig bevend. Langzaam en in elkaar gedoken trekt hij zich terug en verschuilt zich helemaal achter in de rij. Ik richt mijn blik op de moedige Aasbrenger en Vredepijler. Zij stemmen dapper in met het voorstel en willen net opstijgen, wanneer er geruisloos een grote vogel vlak voor ons op de grond neerdaalt. Feloranje ogen kijken de dienstkruiers aan.

‘Gaan jullie zonder mij?’ klinkt zijn warme donkere stem vriendelijk. ‘Zal ik eerst alleen voorzichtig verkennen?’



‘Pfffff… Verkrasser!’


Een zucht van verlichting. Ramkonijn en ik geven elkaar verwachtingsvol een klap op onze schouders.

‘Vuurvliegjes, blijf bij de troep, anders zijn de wolven al gewaarschuwd voor ik hen kan ontdekken! Ik zie alles goed in het donker, maak je geen zorgen.’ Geruisloos stijgt hij op richting het hutje. Nerveus en verontrust tuur ik hem in het donker na. Nog geen paar zuchten later horen we een ijselijk doordringende kras door de duisternis…


*Omarming


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Soms lijkt je alles bij de handen af te breken. Misselijk van angst en verdriet dacht je controle te hebben en het vreselijke te kunnen voorkomen wat je eerder al is overkomen. Maar nee... Hoe ga ik met zoiets om? Bij wie schuil ik? Wat doet Haas? En jij?
  2. De mensen om ons heen begrijpen niet altijd onze reacties. Zoals Ramkonijn hier weinig van de wanhopige reactie van Haas begrijpt. Wat vind jij ervan, hoe hij reageert op Haas? Hoe zou jij reageren?
  3. Vredepijler en Aasbrenger begrijpen de reactie van Haas veel beter. Tóch durven zij hoop te geven. Is dat realistisch?
  4. Raarschaap bevestigt de wanhoop van Haas. Hij heeft een roedel wolven in de buurt gezien. Desondanks blijft Vredepijler hoopvol. Het heeft ook veel te maken met het feit dat Haas, de Ruiter op het witte Paard heeft gezien. Komt er hulp uit onverwachte hoek? Hoe houden wij vol in de wanhoop van ons leven?
  5. De vuurvliegjes hebben al veel betekent voor alle dieren tijdens de zoektocht. Dankzij hen hebben Vredepijler en Aasbrenger zich bij hen gevoegd. Nu wijzen zij, luisterend naar Raarschaap, de weg naar de plaats waar hij de wolven het laatst gezien heeft. Hoe beangstigend voor Haas. Gaat hij de moordenaar van zijn Vooi ontmoeten? Gelukkig heeft hij vrienden om zich heen. Tevens Verkrasser die hen onverwachts komt bijstaan. Zelfs het voortouw neemt om zijn vrienden te beschermen... In mijn heden, loop ik weleens tegen spoken uit mijn verleden aan. En dat is angstig! Hoeveel moed moet je hebben, om de confrontatie aan te gaan met die spoken... Hoe geweldig is het dan om mensen om je heen te hebben staan, die je kan vertrouwen om door die angst heen te gaan! Ben jij zo'n iemand? Misschien wel júist doordat je weet hoe beangstigend het is? Of heb jij juist onbegrip voor mensen met angst en verdriet, omdat jij zo'n groot trauma hebt opgelopen dat hun angst en verdriet maar 'klein' lijken? 
  6. Of herken je hier helemaal niets van? En behoor je tot de 'gelukkige' mensen die geen trauma's in hun leven hebben opgelopen? Hoe ga jij daarmee om? Welk Mens is er geweest Die het allergrootste trauma heeft opgelopen van alle mensen? Hoe heeft Hij dat gedragen? Lees daarbij eens mattheüs 20 vanaf vers 17 tot 28 met daarbij de uitleg van Matthew Henry vanaf pagina 470, maar let vooral op pagina 472 en verder. Tevens mattheüs 26 vanaf vers 17 tot en met 46. Wat heeft dit ons/mij te zeggen?


dinsdag 5 oktober 2021

27) Een donkere zoektocht



Grote schuldige ogen staren Slang aan. De genadeslag komt hard aan bij Ram, zie ik...
‘Ik heb jouw doddige kleintje,’ Slang slikt moeizaam, ‘ja nog meer…, ik heb de Sssschepper zó lief! Hoe zssssssou ik mijn kleine lieve vriend…’ zijn sissen sterft weg. Hete tranen vallen vanuit de boom op mijn hazenkop, en ik spring opzij. ‘Ik wil eerlijk zijn. Het kosssst me wel een hele sssstrijd, dat klopt. Ach, mijn verleden blijft mij achtervolgen… Tja, niet raar ook,’ sist hij met een berouwvolle toon, en kijkt daarbij Ram eerlijk en open in de ogen. Ramkonijns wangen kleuren donkerder en hij wendt zijn ogen af naar de grond. Nog geen snuif later heft hij zijn kop abrupt op en snuift zacht:

‘Het…, spijt me…, Slang… Mmmmaar… waar… Lamprei?’ klinkt het hortend, mat en radeloos. In zijn grote ogen staat dezelfde wanhoop en pijn te lezen die ik voel.

‘Waar is Lamprei dan?’ gonzen ook de vuurvliegjes. Vertwijfeling en verslagenheid heerst. Als vanzelf sla ik stilzwijgend mijn poot om de schouders van Ram. Waarom ik het snuif weet ik niet, maar plotseling floept het eruit:

‘Ik zag een Ruiter op een wit Paard.’ Ram verstijft. De ogen van Slang lichten op en de vuurvliegjes stoppen abrupt met gonzen. Getroffen staren ze mij allen aan.


‘Wie heb jij gezien?’ vraagt Ram verwachtingsvol.

‘Een Ruiter op een wit Paard,’ zeg ik aarzelend. De anderen houden zich eerbiedig stil. Verward trek ik niet begrijpend, een rimpel boven mijn ogen.


Hun blik straalt tegen verwachting in, hoop uit.

Fluisterend sist Slang onderdanig:

‘Jij hebt de Zsssoon van onze Sssschepper gezssien Haassss. En dat issss een voorrecht en een teken.’

‘We gaan mijn jongste vinden, dat geloof ik nu vast! Waar heb je Hem gezien?’
‘Bij het wortelveld.’

‘Kom, we gaan!’ snuift Ram weer energiek.

‘Ik zsssou jullie graag esssscorteren,’ sist Slang vragend. ‘ssssNachtssss issss mijn zsssoekvermogen zssséér ssssuccsssessssvol.’ Van harte wordt het verzoek aanvaard, en in korte tijd staan we aan de rand van het wortelveld.

‘Ginds zag ik Hem.’ Ik wijs naar de overkant van het veld.

‘Daar gaan we heen,’ klinkt het resoluut. De volle maan gaat regelmatig schuil achter de wolken aan de hemel, waardoor we extra blij zijn met ‘t licht dat de vuurvliegjes op ons pad schijnen. Verschillende schapen voegen zich bij ons. De vader en moeder van Ramlam, en het rare schaap zijn er ook bij. Inmiddels is onze troep speurende dieren groot geworden.

We zijn gearriveerd. Ik spring onzeker naar de plek waar ik meen de Ruiter te hebben gezien. 

Vragend en verwachtingsvol kijken alle dieren mij aan.

‘Ik…, ik weet het niet zo goed… Wat zoeken we precies?’ Ramkonijn haalt zijn schouders op, en antwoordt al speurend over het schaars verlichte glooiende graslandschap:
‘Weet ik niet. Dát we iets vinden, is voor mij klaar als een wortel*.’

Hier en daar staat een boom. Mijn ogen turen met de grootst mogelijke inspanning. Een repeterend refrein dreint door mijn kop.


Lamprei…


Wwwwat…!? Ik sla een poot voor mijn snuit. Mijn longen zuig ik vol met de frisse avondlucht en pardoes sluit ik mijn ogen stijf dicht.


Waarna ik een rauwe gil produceer van alle ingehouden lucht, en mijn ogen gaan wijd open. Ten einde raad hopend... Maar nee... Schor stotterend wijs ik met mijn rechterpootje:


‘Rrramkonijn… Pppp… en www…’


*Duidelijk


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk Hersenspinsels:

  1. Slang, alhoewel gekwetst, begrijpt waarom Ramkonijn juist aan hem de vraag stelt waar Lamprei is. Hij herinnert zich zijn historie, beschreven in Genesis 3, maar al te goed... Berouw komt na de zonde! En deze zonde had wel héél veel gevolgen voor mensen en dieren. Heb ik berouw over mijn zonden? Durf ik voor Gods aangezicht te verschijnen? En jij?
  2. Ramkonijn schaamt zich voor zijn beschuldiging. Slang leeft al wat langer actief mee in "Vregio". En hij heeft daar duidelijk laten zien dat hij zich bekeerd heeft van de weg die hij bewandelde. Dankbaar aanvaardt hij de aangeboden hulp van Slang. Zijn Lamprei is al veel te lang zoek... Zou ik het aandurven hulp te aanvaarden, van iemand die mij vreselijk veel pijn heeft gedaan, waarbij de gevolgen onvoorstelbaar groot zijn geweest? Zou ik hem of haar weer kunnen vertrouwen??? En jij?
  3. Zoveel verschillende dieren helpen mee aan de zoektocht. Allemaal met hun eigen talenten. De vuurvliegjes geven licht. Slang kan goed zien in het donker. Ramkonijn en Haas kunnen heel goed ruiken en horen. Schapen kunnen zonder hun kop te hoeven draaien goed rondom zien. Ook in de kerkelijke gemeente zijn er mensen met verschillende eigenschappen en talenten. Hoe zet ik mijn talenten in, op de door de Heere aan mij gegeven plek in mijn gezin, kerkelijke gemeente en leefomgeving? Hoe dien ik er de HEERE mee en de mensen om mij heen? En jij?
  4. Ik lees mattheüs 25 vers 14 tot en met 30. Lees je mee? Ineens besef ik dat ik niet minderwaardig moet doen, over de in mijn ogen weinige talenten die ik heb ontvangen. God vraagt niet van mij meer te doen dan ik kan. Denk ik feitelijk niet te klein? Hij vraagt te doen wat ik kan. En dat is juist héél groot... Ik ben benieuwd hoe jij deze gelijkenis leest. Heb jij veel of weinig talenten ontvangen? Wat doe jij ermee? Doet het er wel toe, hoeveel talenten je ontvangen hebt? Is mijn laatste vraag, die mij hierover aan het denken zet. Misschien jou ook wel?
  5. Dan komt er een lichtpunt aan de horizon, wanneer Haasje verteld over Wie hij heeft gezien aan de overkant van het wortelveld. Hoop gloort! Direct vraag ik mezelf af: Heb ik Jezus in mijn leven werkelijk ontmoet? Is Hij een realiteit in mijn dagelijkse leven geworden? Of staat Jezus in mijn dagelijkse leven aan de andere kant van mijn "wortelveld"? En bij jou?

donderdag 23 september 2021

26) Alwéér stof happen?

 



Ik gil. Mijn hart zwelt op, mijn ademhaling versnelt. Onregelmatig adem ik in…, en uit. Een snik ontworstelt zich uit mijn keel die zich benauwd samenknijpt. Snuifeloos* schud ik radeloos mijn kop.

Mijn schuld. Ik had met hem mee moeten gaan. Nu is hij ook dood. Zoals Moerhaas, Oom Haas en Vooi…!


‘Haas?’ Vertwijfeld pakt Moer mijn beide voorpoten in haar poten. Een trillende zucht verlaat mijn snuit, als zij mij ten einde raad aankijkt. ‘Help je alsjeblieft zoeken? Ram is al weg. Heb je één van hen onderweg gezien?’ vuurt zij haar vragen in willekeurige volgorde op mij af. Huiverend gaat wederom mijn kop heen en weer. 

Sprakeloos, dat ben ik! 

Moer rammelt mij door elkaar. Ik sluit mijn ogen, schud wild met mijn kop en hervind mijn stem.

‘Natuurlijk ga ik zoeken!’ zeg ik fermer dan ik me voel. ‘Ik heb Lamprei beloofd dat hem niets zou overkomen. Ik ga hem zoeken en stop niet tot ik hem gevonden heb!’ Ineens ben ik vol activiteit. Verwachtingsvol staren Moerkonijn en de broertjes en zusjes van Lamprei, mij met hun grote donkere kijkers aan. De eerder die dag gesproken woorden van Moerkonijn, “verwacht niet zoveel van jezelf en ons Haas. Dan wordt je alleen maar teleurgesteld. Vertrouw op de Schepper”, verban ik uit mijn gedachten. 

Deze keer zal het goed komen, daar zal ik voor zorgen!


‘Waar is Ramkonijn? Hebben jullie alle dieren al ingeschakeld? De leeuwenfamilie, de apen, slangen en schapen? Misschien zijn ze al thuis bij de schapen?’ snuif ik chaotisch hoopvol. Daar komt Ram hijgend aanhuppelen.

‘Ramlam is wel thuis, maar Lamprei is niet bij hen…’ Er ligt een gedesillusioneerde en doffe klank in zijn snuif. Moerkonijn slikt. Slikt nog een keer… De vooitjes drukken zich tegen hun Moer aan. Hun ogen staan vol met tranenwater. ‘We gaan onze zoon vinden,’ probeert Ram gedecideerd moedig. ‘De schapen waren al aan het zoeken toen ik kwam. Ramlam vertelde dat zij verstoppertje deden bij de schapenheide. Hij riep en riep, want hij kon Lamprei niet vinden en de lucht kleurde oranje… ’ De remmels gaan om hun Ram heen staan en snuiven eensgezind:

‘Wij gaan mee zoeken.’

‘Geen sprake van!’ reageert hij streng. ‘Ik heb jullie nodig om jullie Moer en zusjes te beschermen. Haas gaat met me mee.’


Allerlei angstige gedachten tuimelen door mijn hazenkop. Stamelend, ik durf het haast niet te snuiven echter…, het moet!

‘Sssslang ging ook richting de schapenheide.’ Ik kreun. Mijn tranen van verdriet veranderen in tranen van woede! 

Verkrasser met zijn verhaal! Ik herinner me de rol van Slang in het Paradijs...

‘Wat!?’ snuift Ram dreigend fluisterend. Zijn ogen boren zich in de mijne. ‘Denk je heus...?’ 

‘Ram, we moeten de vuurvliegjes om hulp vragen. Het is al bijna donker,’ snuiven de remmels. Ram knikt bevestigend naar hen.


‘Slim plan van jullie! Kom Haas, we gaan de vuurvliegjes snel halen.’
‘Haas, wijs jij ons de weg naar waar jij Slang voor het laatst zag? Het is niet te hopen dat hij zich als in het Paradijs…’ prevelt hij hem nadrukkelijk aankijkend. ‘Hij is altijd zo… Nee, ik kan het niet geloven Haas. Slang!?’ Hij grijpt met meer vertrouwen, strijdbaar en troostend de poot van zijn vrouwtje. ‘Zolang we hem nog niet gevonden hebben is er hoop. Blijf jij bij de burcht voor het geval hij terugkomt? Pas goed op jullie Moer en wees gehoorzaam,’ besluit hij zijn dringende verzoek aan zijn kroost. Moer geeft Ram een stevige omhelzing, waarna zij hem sterk aandringt te gaan.


‘Ga! Ik zal de Schepper bidden. Ga nu snel!’ Zij duwt hem bijna ruw weg en wijst naar boven. Haar snuit staat strak van de spanning, evenwel…, houdt zij zich moedig groot en drukt haar lievelingen stevig tegen zich aan, terwijl zij murmelt: ‘Mijn lieve kleine Lampje…’


Met haastige spoed begeven we ons naar de vuurvliegjes. Weinig woorden zijn genoeg om hen te overtuigen van het belang met ons mee te gaan.

‘Lamprei geeft in letterlijke zin geen licht,’ zeggen zij, ‘maar vrolijkheid des te meer. Nee, Lamprei moet gevonden worden!’ Zo gaan wij gezamenlijk op weg. Met honderdtallen vliegen ze met ons mee. Hun licht schijnt op het pad dat wij lopen. Met voortvarendheid, turend en zoekend naar een glimp van ons aller lieveling. Zo zacht als we kunnen, sluipen we door het bos. We willen de eventuele dader niet wegjagen... Bovendien geen andere dieren laten schrikken, door hen te storen in hun slaap. 

Je weet nooit hoe ze reageren… 
We lopen bijna letterlijk een slapende roedel herten tegen het lijf. Bok schrikt wakker. Helaas heeft hij Lamprei helemaal niet gezien. Ook de everzwijnen, die we een paar snuiven later ontmoeten, hebben hem niet gezien. Ze knorren een beetje agressief, omdat wij hen in hun nachtrust verstoren, en briesen:

‘In onze gemeenschap doen we elkaar geen kwaad meer. Ga slapen en zoek morgen verder! Hij haalt vast een ondeugend grapje met jullie uit.’ Verdrietig vervolgen wij onze weg. De verkrassing van Verkrasser galmt nog na in mijn hazenkop. 

Geloven deze everzwijnen dit nu echt? Na de verkrassing van vanmiddag!? 

Ik slaak een trillende zucht. Mijn hazenhart gilt om mijn kleine neefje.


Op de plek aangekomen waar ik Slang zag wegglijden, schuifelen we onze weg. Een groot aantal vuurvliegjes belichten de bomen waar de slangen zich regelmatig bevinden. Alhoewel zij ‘s nachts op jacht gaan, hebben we goede hoop Slang hier te vinden. Enkele meters van het wortelveld verwijderd, blijven een heleboel vuurvliegjes hangen en zoemen dat het een lieve lust is. We moeten snel komen want…, ze hebben Slang gevonden! Ik zucht opgelucht.


Nu vinden we Lamprei vast snel!


Slang hangt in de boom. Zijn ogen kijken donker en bedroefd, nadat hij gehoord heeft waarom Ramkonijn en ik hem zoeken.

‘Moet ik nu alwéér stof happen? Denk je nou heus Ram, dat ik jouw jongste kwaad zou doen!?’ sist hij dof verwijtend door zijn bekkorf heen…


*Woordeloos


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Het lieve neefje van Haas is verdwenen. Haas wordt overmeesterd door verdriet en wanhoop. Het herinnert hem aan het verlies van Moerhaas, oom Haas en Vooi. Verslagenheid en machteloosheid overvallen hem. Maar daarna wil hij met alle kracht en macht die hij heeft Lamprei zoeken èn vinden, want waarin hij tekort is geschoten bij zijn Moer en Vooi en dat wil hij voorkomen bij Lamprei. Vroeger ben ik op de basisschool veel gepest. Wanneer ik het gevoel heb dat men mij weer gaat buitensluiten of iets dergelijks, dan is mijn reactie soms ook extreem. "Gewoon" omdat ik dat gevoel niet nogmaals wil ervaren. Het gebeurt zo automatisch, dat ik 't nauwelijks in de gaten heb. In overactiviteit schieten voelt prettig, zoals Haasje hierboven doet. Toch hou ik daar een náár gevoel in mijn onderbuik aan over. Ik vraag me op dit moment af hoe dat komt en trek mijn conclusie... Speelt zoiets ook in jouw leven?
  2. Erover praten helpt! Nog beter helpt het om de rust te zoeken en in Gods Woord te gaan lezen in de biddende hoop dat Zijn Geest erdoorheen spreekt tot mij, hoe ik op een betere en rustigere manier kan reageren. Maar dat geeft mij wel strijd. Want ook dit gaat niet vanzelf, omdat mijn verleden nog té vaak een rol speelt in mijn heden. Bovendien mijn aardse gerichtheid. Mijn vlees wil het zo graag winnen van de Geest! Nee, ik wil daarvoor niet de duivel de schuld geven. Ik ben het die gezondigd heeft... Hoe is dat voor jou?
  3. Een vos verliest wel zijn haren, maar nooit zijn streken. Of: eens een dief altijd een dief. Dat lijkt nu ook te spelen bij Haas. Slang heeft de mens in het paradijs bedrogen. Het angeltje van wantrouwen. Zou Slang alweer? Ook Ramkonijn krijgt twijfels. Maar deze heeft wel het berouwvolle gedrag gezien van Slang in het verleden. Bij mij werkt het eerlijk gezegd net zo. Wanneer er snoepjes of koekjes uit de kast stiekem weggenomen waren, vroeg ik twee van onze kinderen eerder dan de andere drie kinderen... Was dat terecht? En eerlijk van mij? Soms vraag ik het mezelf af. En jij? Hoe gaan jullie met zulke dingen om?
  4. Begrijpen jullie het verdriet en de verwijtende toon van Slang? Ik heb het zelf ook meegemaakt, dat ik door iemand vals beschuldigd werd. Ik kan me het gevoel van verontwaardiging nog heel goed herinneren. De ander was zó overtuigd dat ik het gedaan had, dat ik zelfs aan mezelf ging twijfelen... Herken jij dit? Wat deed jij toen?
  5. De gevoelens bang en boosheid zijn op zich niet verkeerd. Het helpt je op tijd te vluchten of actie te ondernemen. Mits je je verstand erbij gebruikt... Toch bestempelen wij deze gevoelens vaak niet als positief. Ik geloof dat de HEERE ons die gevoelens niet voor niets gegeven heeft. En jij?
  6. Haasje vertrouwt hier op zijn eigen kracht en vindingrijkheid. Moerkonijn zoekt hulp bij Ramkonijn, Haas en andere dieren, die daadwerkelijk gaan zoeken. Toch doet zij iets wat minstens net zo belangrijk is. Namelijk: bidden tot haar Schepper. Hoe heb ik gereageerd toen wij niet wisten waar onze puberende dochter zich bevond? Direct in actie? Biddend? Of beiden? Een goed overdenkend leermoment voor mij. Hoe zouden jullie reageren?

29) Fijn kneepje

   ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...