dinsdag 14 september 2021

18) Een burcht-loze nacht?

Aasbrenger, Vredepijler en ik reiken elkaar de vleugels en poot. Het enige geluid dat we horen is het suizen van de wind en de daardoor ritselende bladeren van de bomen. Alsof alle dieren in het bos weten dat ze eventjes moeten zwijgen… Ik krijg een opbeurend kneepje in mijn poot voordat de beide vogels, de één mijn linker- en de ander mijn rechterpoot loslaten.
Een dikke keel.
Ongewild verschijnt er een melancholische glimlach op mijn snuit.

‘Moertje en Vooi,’ fluister ik.


‘Kom,’ zegt Vredepijler, ‘ga je mee, Haas? We brengen je naar familie Sprong. Moer ontfermt zich graag over jou, zo goed ken ik haar wel...’


De schaduwen van de bomen worden langer.
‘De avond valt,’ zeg ik zacht en een beetje bedrukt. ‘Denkt u echt dat ik bij hen kan slapen? Ze hebben immers niet op mij gerekend?’
‘Wees niet bezorgd rammelaar van een Haas.’ Met een vriendelijke zachte glans in zijn ogen kijkt Aasbrenger mij aan, als hij vervolgt:
'Ik weet zeker dat er voor jou ruimte is in hun konijnenburcht. Vorige week ben ik daar nog op holbezoek geweest. De familie Sprong heeft ruimschoots kamers over!’

‘Oké…,’ antwoord ik nog wel wat ongerust, ‘want weet u, wij hazen leven graag een beetje op onszelf. Familie is leuk en fijn. Maar als we eenmaal volwassen zijn, zitten we niet graag zo op elkaars snuitje…’
Zou dat bij konijnen anders zijn? Schiet het door mijn gedachten.

Het antwoord wordt al gegeven door Vredepijler:

‘Dat is bij konijnen anders Haas. Hoe meer zielen? Hoe meer vreugd. Geloof me, je bent méér dan welkom!’ Ik voel opeens dat mijn wangen gloeien. Het zweet breekt me uit.
Want…, lijk ik nu niet ondankbaar?
Schichtig kijk ik mijn weldoeners aan. Ze geven me een schouderklopje. ‘Maak je geen zorgen, Haas. We weten hoe hazen zijn. Jullie karakter verschilt “gewoon” van konijnen. Niets mis mee! Maar het lijkt ons niet goed jou nu aan jouw lot over te laten. Een warme konijnenburcht zal je goed doen,’ de hese stem van Aasbrenger heeft een bemoedigende klank.


‘Dank u,’ hoor ik mezelf bedeesd snuiven, ‘op dit moment zou ik inderdaad niet graag alleen zijn. Ik ben jullie zeer dankbaar!’ Gezamenlijk lopen we een paar meter weg van de eikenboom, richting het smalle paadje dat naar het grasveld leidt. Knuffelbeer, zoals ik hem stiekempjes in gedachten noem, staat nog steeds op wacht. Het grasveld ligt er echter bijna verlaten bij. Vredepijler spreekt hem aan:

‘Zeg Beer, weet jij waar Moerkonijn is?’

‘Ach,’ bromt de Beer zachtaardig, ‘ze is daar bij de boom in het midden van het grasveld. Ziet u?’ Zijn dikke berenpoot wijst.

‘Haar kleintje speelt met zijn kameraad riddertje.’

‘Zijn favoriete spelletje,’ glimlacht Aasbrenger. ‘De ondeugende rakker…’ Vrolijk kijken de drie dieren naar het tafereel. Met ongeloof staar ik verstijfd van schrik naar wat mijn ogen waarnemen.


Dat kan toch niet!?????


Een zwarte vleugel voel ik op mijn schouder.

‘Ssst, wees niet bang. Kleintje is veilig in de poten van deze Wolf.’ Een paar trouwhartige zwarte ogen blikken in mijn goudbruine kijkers.
‘Pfffff…’ een zucht van verlichting!
Ja..., ik ben bij Vregio... Hier ben ik VEILIG!


‘Vindt u het goed dat ik nu naar mijn grot ga? De lucht begint licht oranje te kleuren, en ik moet nog wel een flink aantal pootstappen* maken, zoals u weet. Bovendien ben ik graag voor 't donker thuis.’

‘Ga gerust Beer. We redden ons hier wel. Hartelijk dank voor de wacht. We zien je in ieder geval over zeven zonsopgangen, neem ik aan?’ Beer knikt bevestigend met zijn grote, goedige kop. Het gesprek tussen de beide dieren was volledig langs me heengegaan. Beer richt zich echter tot mij, waardoor ik met mijn hazenachterpootjes weer een beetje op aarde terug kom te staan.
‘Haas, het was fijn je te leren kennen. Maak je geen zorgen, Moerkonijn heeft speciaal op jou gewacht. En het Kleintje had zijn mond al vol over zijn grote oom Haas, die bij hem komt wonen! Ik groet jullie hartelijk en tot na de volgende zevende maan.’ Met gezwinde pootstap en een pootzwaai neemt hij afscheid van ons drieën.


Wij, op onze beurt, laten de rand van het bos voor wat het is en lopen rechtstreeks naar ‘t midden van het grasveld. Ik hoor kleintje gillen van de lach. Op Wolfs rug met zijn voorpoten stijf om zijn nek geslagen, houdt hij een lange dunne tak recht vooruit gestoken langs de kop en bek van het grote beest. Onvermoeibaar maken ze samen rondjes rondom de boomstronk, waar eerder die dag Verkrasser op stond.
Dat lijkt wel een eeuw geleden…


Vervolgens moet ik constateren dat Kleintje inderdaad veel plezier heeft. Dit, in plaats van angst, die ik zojuist nog door mijn lijfje voelde gieren. Moerkonijn heeft ons opgemerkt en hupt ons tegemoet, waarbij haar hagelwitte staartje bij elke sprong vrolijk boven het gras uitsteekt…


Bij ons aangekomen, maakt ze een lichte buiging naar de dienstkruiers. Haar hele houding straalt respect uit voor deze twee vogels.

‘Fijn dat u Haas weer terugbrengt. Kleintje zat al ongeduldig op hem te wachten. Ik was blij dat Wolf in de gelegenheid was hem bezig te houden. Barstensvol energie zit mijn kleine Lamprei…’ Een paar liefdevolle ogen kijken naar het kleine konijntje, waarna ik een hartelijk knikje krijg. Mijn ogen gaan ongemerkt weer naar dat wonderlijke tafereel.
Kleintje en Wolf…


Als het kleine konijntje bijna van zijn rug afglijdt, laat Wolf zich voorzichtig op zijn zij rollen. Zachtaardig lacht hij zijn tanden bloot.

‘Brrrrr….’ De rillingen gaan ongewild opnieuw over mijn rug. Maar Kleintje, of Lamprei, zoals zijn Moer hem liefkozend noemt, valt uitbundig lachend in het zachte droge gras. De lange dunne stok ligt vergeten en verborgen verderop in het gras.

Onvoorstelbaar! Wat hebben die twee een plezier… Ik zie hun ogen schitteren!


Moerkonijn roept ze nu tot de orde. En dat is voor geen dove konijnenoren gezegd! Enthousiast komt Lamprei naar me toe. Op een paar konijnenhuppels afstand gekomen, vertraagt hij echter en schuilt hij snel, verlegen achter zijn Moer weg. Haar pootje streelt zijn kopje:


‘Zo, heldhaftig ridderkonijn! Kom jij oom Haas redden van een burcht-loze nachtrust?’

Een warme glimlach plooit haar snuitje. Er gaat een vlijmscherpe steek door mijn hazenhartje.

Moertje... 

De liefde van mijn Moerhaas zie ik weerspiegeld in de ogen van Moerkonijn voor haar lieve Kleintje...


* Voetstappen







Hersenspinsels:
  1. Gebeurtenissen uit het verleden, regeren vaak onze reacties in het heden. Dat zie je ook bij Haasje wanneer hij, Lamprei met Wolf ziet spelen. Angst vervuld zijn Hazenhartje. Gelukkig geeft Aasbrenger hem hier de relativering/nuchterheid die Haasje op dit moment nodig heeft. Hoe is dat in mijn of jouw leven? Laten wij het verleden regeren over ons heden?
  2. Heb jij die onbegrijpelijke, desondanks heerlijke, vrede al ervaren? De vrede van vergeving van zonden door Christus?
  3. Leef jij in een warme en betrokken familie? Of ervaar jij een gemis van een liefdevolle vader of moeder? Of broer of zus? Welke rol speelt dit in jouw leven? 
  4. Niemand kan bloedverwanten vervangen natuurlijk. Heb je ondanks dat verlies wel  geestverwanten uit Gods hand ontvangen? Broeders en zusters die vanuit dezelfde Bron leven, als dat jij dat doet? Wat zijn jouw eigen mogelijkheden om hiermee om te gaan?
  5. Hoe kan jij een broeder of zuster zijn voor jouw naaste, die dit mist?






dinsdag 7 september 2021

17) Zoveel troost haast niet verdiend…

 

Ik open mijn ogen en schud de liefdevolle vleugels van me af.

‘Het is lief van u dat u zo meeleeft,’ snuif ik zacht gebroken, ‘mmmmaar ik heb dat nnnniet verdiend…’ Aasbrenger laat zijn vleugels lamgeslagen naast zijn zwarte lijfje vallen. Vredepijler probeert in mijn ogen te kijken. Ik ontwijk. Zijn lichte, rustige stem snavelt:

‘Waarom zeg je dat?’

‘Mijn Moerhaas is door mijn schuld dood!’ reageer ik heftig. ‘En mijn lieve Vooi!? Ik heb haar alleen overgelaten…, aan die ggggruwelijkheden van de wolven…,’ mijn stem sterft weg. ‘Ik had haar moeten helpen, maar ik liet haar bbbbarsten! En dat door mijn eigen angst voor die vvvverscheurende wolven,’ snuif ik nog net hoorbaar voor de oren van de beide dienstkruiers. Beschaamd houd ik mijn ogen neergeslagen, door de grote hoeveelheid schuld die ik in mijn hazenhartje voel. Bang dat ik ben voor de afschuw die ik in hun ogen zal lezen, en fluister met een diepe zucht:

‘Waarom laten jullie mij niet gewoon alleen!? Ik ben slecht… Dóór en dóóóóór slecht…’


‘Kijk mij eens aan lieve Haas, snavelt Vredepijler met zijn zachte en warme klank.

Schuchter sla ik snel een blik op de vriendelijke duif. 

Huh? Zijn blik? Haast onverdraaglijk! Warmte, liefde, begrip… Ik lees totaal geen afwijzing. Alleen een diepbedroefde glimlach?

‘Had jij haar kunnen redden uit de poten en bek van die wolven?’ Ik schud mijn kop.

‘Ik had het moeten proberen! Ik heb haar alleen gelaten… Elke nacht als ik slaap hoor ik haar in mijn dromen gillen, door de wolven die haar blaffend en keffend opjagen met water dat uit hun bek loopt… Ze hadden mij moeten pakken… Ik had…’

‘STOP!’ snerpt het nu streng uit de snavel van de raaf. Het is alsof ik een klap tegen mijn snuit krijg!

‘Heb je de vraag van Vredepijler wel gehoord?’ de scherpe klank is nu vriendelijker.
Zag Aasbrenger misschien hoe erg ik van hem schrok?
Bevend knik ik bevestigend.


‘Ik zal je hem nog een keer stellen. Had jij jouw vrouwtje, of jezelf, of elkaar kunnen redden uit de bek van die wolven? Denk er eens rustig over na…’ Gedachten tollen door mijn kop heen.
Ik krijg ze niet geordend.



Stilzwijgend zitten we zo een poosje bij elkaar, tot Aasbrenger troostend probeert:

‘Als je het aan mij vraagt? Heb jij niets gedaan waar jij je schuldig over hoeft te voelen. Jullie hadden geen schijn van kans! Kan je nog een verhaal hebben?’

‘Dat lukt nog wel…,’ antwoord ik lusteloos moe.
Als het mij maar helpt in de afschuwelijke pijn die ik voel!
Voeg ik er zachtjes bij mezelf aan toe.

‘Het Mensenkind, die Zoon van de Schepper, waarover ik je al eerder verteld heb? Was eens met Zijn vrienden in een mooie tuin.* Zijn tijd kwam eraan om het volmaakte offer te brengen voor de redding van de wereld en…? Dat die tijd al snel zou komen, wist Hij! Daarom was Hij bang en bedroefd en vroeg Hij Zijn vrienden voor Hem te waken en te bidden, terwijl Hij alleen tot Zijn Vader ging bidden, midden in de tuin. Weet je wat de vrienden deden?’ Vragende ogen blikken in de mijne.


Ik haal onwetend mijn schouders op…


‘Die vrienden vielen in slaap. Hoe pijnlijk verdrietig voor dit Mensenkind. Maar het werd nóg erger! In die tuin kwamen soldaten om Hem gevangen te nemen. En weet je wat die vrienden deden? Ze vluchtten allemaal weg. In de rechtbank stond dit onschuldige Mensenkind voor al Zijn vijanden terecht. Eén van Zijn vrienden durfde niet eens te erkennen dat zij vrienden waren… Tot driemaal toe LOOG hij erover! En toch keek de Zoon van de Schepper hem liefdevol aan. En weet je? Deze vriend lijkt wel een beetje op jou. Jij vluchtte weg voor de wolven bij de aanval op jou en jouw Vooi, en jij liet daarbij jouw Vooi in de steek… Petrus, want zo heette die vriend van dit Mensenkind, moest ook enorm huilen omdat hij zijn grote Vriend in de steek gelaten had. Hem niet gered had van het offer dat Hij moest brengen. Niet beseffend dat dit offer juist volbracht MOEST worden.’ Vredepijler geeft me een vriendelijk en bemoedigend klopje op mijn linker voorpootje.


‘Het meest bijzondere komt nog. Nadat het Mensenkind het offer volbracht had door te sterven aan het kruis? Stond Hij weer op uit de dood en werd Hij weer levend. Hij ging naar deze vriend toe, en vergaf Hem dat hij ontkend had dat zij vrienden waren, en ook dat hij Hem alleen gelaten had bij Zijn beschuldigers en moordenaars. Bovendien gaf Hij Petrus de opdracht, deze Goede Boodschap van vergeving te vertellen aan alle mensen die hij tegenkwam…** En Petrus was zo onbeschrijflijk blij en dankbaar voor de herstelde relatie met de Zoon van de Schepper, dat hij Schepperszoon graag gehoorzaamde. Zou Hij jou niet vergeven dat jij één van Zijn schepselen, jouw lieve Vooi, in de steek hebt gelaten? Juist hetgeen het gevolg is van de zonde!? Want door de zonde van de mens, ging de wolf jouw vrouwtje eten… Niet door jouw weglopen! Jij had haar immers niet kunnen redden. Wat jij wel kan doen,’ vervolgt Vredepijler meelevend, ‘is geloven in deze Zoon. Hij vergaf Petrus door het geloof in het offer door Hem aan het kruis volbracht. En indien jij in Hem gelooft? Vergeeft Hij ook jou! Ik wil samen met jou bidden tot onze Schepper. Vind je dat goed?’ Verward knik ik stilletjes.


‘Weet je nog dat ik je vertelde van mijn voorduiven, die geofferd werden op het altaar? Dat ritueel waar een einde aangekomen is, door het door Hem volbrachte, volmaakte offer? Door Hem wordt alles nieuw, weet je nog? Zonder zonden…’ De dienstkruiers buigen hun kopjes en vouwen hun vleugels tezamen. Aarzelend volg ik het voorbeeld dat zij geven en luister: ‘De Schepper zegt dit tot jou, Haas’:


‘Kom tot Mij, lieve Haas,

Ook al voel je je dwaas?

Je mag bij Mij alles klagen.
Je mag aan Mij alles vragen.
Bij Mij vind je altijd een luisterend oor.

Weet, dat Ik elk gebed verhoor…’


‘Niet uit verdienste, maar uit verlangen,

zal je Mijn Geest ontvangen…

Leg al je zorgen neer bij Mij,
en laat los, dat alleen maakt vrij.

Al je zorgen ZIJN te dragen,

door hulp van Mijn Geest te vragen.’


‘Bidt om Zijn kracht,
die alles heeft volbracht.
Laat los dit aardse leven,

voor de eeuwigheid, aan jou gegeven!’


De lichte stem van de duif zwijgt. Een ongekende rust is er neergedaald in mijn hazenhartje. Naast het verdriet dat er in mijn hart nog leeft, en het feit dat ik nog lang niet alles goed begrijp.
Maar moet dat ook? Vraag ik me stilletjes af. Als vanzelf vormen in mijn gedachten woorden die ik zacht, net hoorbaar genoeg voor Vredepijler en Aasbrenger, uitspreek:

‘De Schepper is groot,
de Schepper is goed,

de Schepper is genadig,

de Schepper is barmhartig,
de Schepper is rechtvaardig,

de Schepper is vol liefde voor mij.

Wat een wonder,

dat Hij mij vergeeft.

Wat ik mezelf niet kan vergeven…
Schepper, maak mij Uw beeld gelijk!
Ongekend diep is mijn ellende en schuld.

Onpeilbaar diep Uw barmhartigheid en genade!’


Zou Schepperszoon en Zijn Vader dit ook gehoord hebben? Vast wel…


* Lukas 22 vanaf vers 31

** Johannes 21 vers 15 tot en met 19


Volgende hoofdstuk

Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Haasje is verbaasd, hij ontvangt troost en liefde in plaats van afwijzing en boosheid. Maar Haasje wijst het af, omdat hij vindt dat hij het niet verdiend... Wijs ik zulk troost af? En jij? En geef jij zulke troost aan anderen die het nodig hebben? Of wijs jij  met een beschuldigende vinger?
  2. Lees Johannes 8 vers 1 tot en met 11. Herken jij jezelf in één van de betrokkenen? Diegene die de overspelige vrouw beschuldigen? De vrouw zelf? Of misschien de afwezige overspelige man? Of leef je in de gezindheid van Jezus?
  3. Aasbrenger voelde machteloosheid opkomen lees ik hierboven. Desondanks wanhoopt hij niet. Probeert zich in te leven in Haasje en zijn situatie. Bemoedigend stelt hij geïnteresseerde vragen aan Haasje. Hoe gaan wij om, met iemand die met zoveel wanhoop en verdriet tot ons komt? 
  4. Tegen iemand die het ontzettend moeilijk heeft moet je soms even streng zijn, zoals Aasbrenger hier ook deed. Wanneer ik heel eerlijk ben, heb ik daar best moeite mee. Heb je naaste lief als jezelf, zingt er dan door mijn hoofd. Maar is lief doen..., hetzelfde als lief zijn? 
  5. Durf jij Gods Woord te brengen naar iemand die het heel moeilijk heeft? En te bidden, wanneer deze persoon jou daar de ruimte voor geeft?
  6. Heb jij Gods Woord als de Waarheid aangenomen? Zijn onpeilbare grote/diepe barmhartigheid en genade ervaren? Herken jij dat jouw tevens onpeilbare ellende en zonde vergeven zijn in Christus? En de drang om Hem te volgen? Meer en meer Zijn Beeld gelijk te worden?

donderdag 2 september 2021

16) Haasje vertelt


Mijn hazenhartje klopt in een versneld ritme en mijn keel voelt droog aan. Ik kuch en begin te vertellen.

‘Twee dagreizen ver, achter die heuvels daarginds,’ ik wijs met mijn linkerpoot in de juiste richting, ‘kom ik vandaan. Ik stam uit een rijk hazengeslacht. Mijn ouders waren namelijk zeer vruchtbaar. Helaas…,’ ik zwijg even om nogmaals een brok in mijn keel weg te slikken, ‘mmmmoest ik op de llllleeftijd van drie wwwwweken al op eigen poten staan…’ Wederom val ik stil. 

Flink wezen Haas, niet stotteren! Zijn mijn vermanende gedachten. Met nieuwe moed herpak ik mijn verhaal:

‘In het loofbos waar wij woonden liepen mannen rond met een lange stok. Na een geweldige knal viel er een ree of vos levenloos neer. Ik heb dat werkelijk zien gebeuren! De vos vond ik niet zo erg, want die zat ons regelmatig achterna en dan moest ik bij mijn Remmel en Moerhaas in ‘t hol schuilen… Tjonge..., wat was ik op zo’n moment bang! Brrrrr..., ik ril nog bij die gedachte! Ik voel nog de beschermende poten van mijn Moerhaas om mij heen… En de ree? Dat prachtige dier met die mooie, grote, bruine ogen…?’


‘Deze mensen met die lawaaistok vielen nauwelijks op, doordat de kleur van hun kleding bijna gelijk was aan de kleuren van onze omgeving. Daarom leerde Moerhaas mij goed mijn oren en neus te gebruiken. En eens? Eens ben ik erg ondeugend geweest en heb ik niet goed geluisterd. Remmel waarschuwde regelmatig. Hij vond dat ik veel te veel op zijn broer leek.’ Ik veeg ruw de irritant gewillige tranen van mijn wangen, en vertel verder.


‘Nou? Ik heb het geweten... Daar kreeg ik een draai om mijn oren!’ Met mijn poot aai ik even over mijn oor. Het is alsof ik de pijn opnieuw voel, van die liefdevol bedoelde poot. Want ja..., de gevolgen van de volgende keer waren zeer groot! Een snik welt op uit mijn dik geworden keel. Mijn ogen vullen zich nogmaals met water en ik voel een traan over mijn wang rollen. En al snel volgt er nog één... En nog één...


Met een poot pak ik het voor mij kostbare paars-wit gestipte stofje en veeg daarmee het vocht weg. Ik schraap mijn keel weer, dankbaar dat de beide dienstkruiers zo geduldig wachten en mij niet opjagen verder te gaan.

‘De tweede keer, op de leeftijd van drie weken oud, was ik heerlijk aan het genieten van de paardenbloemen in het grasveld, samen met familie.’


‘Plotseling...!’



‘Iedereen vluchtte het bos in, maar ik!? Ik merkte niets… Ik was nog steeds aan het genieten van dat heerlijke eten. En mijn Moerhaas? Die merkte dat ik niet meekwam met mijn broer, twee zusjes en Remmel. Zij is naar mij toe gesprongen. Luid gillend dat ik moest vluchten… Ja..., en tttoen had ik het pppas in de ggggaten… De nnnnnáre knal kkkkwam…’ Ik slik moeizaam en vervolg:

‘Oorverdovend! Iiik stond vvverstijfd in ‘t gggras. Daar lag mmijn…, Mmmoerhhhaas… Rode vvvloeistof kwam uit haar kkkop en ze lag dddoodstil…’ Nogmaals welt er een snik uit mijn snuit. Schor vertel ik moedig verder:

‘Mijn broer en zusjes gilden vanaf de bosrand. Remmel gilde er woest bovenuit! Ik realiseerde me dat ik snel weg moest wezen om dit te overleven!’ Met diepbedroefde stem vervolg ik:

‘Mijn zusjes en broer waren vreselijk boos op mij. Woedend verweet mijn Remmel mij dat ik niets geleerd had van het slechte voorbeeld van zijn broer! Mijn oom was ontzettend eigenwijs en hunkerde ernaar meer te ontdekken van de wereld. Moest daarbij een weg van die mensen oversteken… Hij heeft het niet overleefd, want hij kwam onder de wielen van zo’n ijzeren gevaarte van de mens. Hij was niet alert genoeg geweest, net als ik… Remmel heeft me daarop het leger uitgejaagd. En..., ik begrijp het! Het was mijn schuld dat die vreselijke man, Moerhaas, zijn vrouwtje, neergeknald heeft, want ik had nnniet goed geluisterd en gggeroken…! Ik werd eenzaam, leefde dichtbij mijn familie. Zij wilden me niet meer zien… Gelukkig kwam ik een lief hazinnetje tegen. Ze was prachtig! Haar naam was Vooi. Deze mooie paars-wit gestipte lint had zij om haar oren gestrikt.’ Ik open mijn poot en laat het vochtige reststukje van het gescheurde lint zien, ondertussen dalen mijn rijkelijk vloeiende tranen neer op het zachte mos…


Bewogen hebben Aasbrenger en Vredepijler geluisterd en kijken naar mijn geopende poot. Vragend kijken ze mij aan, wel aanvoelend dat er nog meer leed gaat komen… Schor vertel ik verder:

‘Ik heb om mijn prachtige Vooi gevochten… En...? Gewonnen! We waren beiden ongeveer zes volle manen oud. Samen maakten we een leger. Helaas was ons geluk van korte duur…,’ snik ik. ’Mijn wijfje was drachtig van onze jongen toen, toen…’ Ik dwing mezelf verder te gaan en begin opnieuw. ‘We hadden al nachten achtereen het huilen van wolven gehoord. Ongevoelig echter, voor het naderende gevaar… Gericht op onze eerstkomende worp jongen, waren onze hazenhartjes met blijdschap overspoeld. Toen we in het open grasveld in het bos naar eten aan het zoeken waren, zag

ik een wolf aan de rand van het bos met zijn felle ogen naar ons loeren. Ditmaal had ik het gelukkig wel geroken! Niet gehoord echter, want ze kunnen zachtjes doen hoor! Waarschuwend gaf ik mijn vrouwtje een signaal. Ze keek me met haar mooie ogen, vol liefde aan. En ddddat is de llllaatste keer dat ik hhhhaar gezien heb,’ stotter en snotter ik met een waterval aan tranen. Het gescheurde lint houd ik in mijn gebalde poot voor mijn snuitje, om het niet uit te gillen van verdriet.


‘We vluchtten weg! De wolven waren ineens dichtbij en overal. Een hele roedel!’ klinkt het dof vanachter mijn poot. ‘Ik was snel genoeg... Mijn vrouwtje met haar buik vol met onze jongen was niet zo vlug… De vvvvolgende morgen ben ik gaan kijken op het grasveld. In de hoop mijn vrouwtje te kunnen vinden. De wolven waren inmiddels vertrokken.’ Voor mijn poten vormt zich een zee van zout tranenwater… ‘Het enige wat ik terugvond, was dit gescheurde stukje stof van haar strik. Dat was voor mij de reden te vertrekken van de plek waar ik ben opgegroeid. En nooit, nóóit meer wil ik daar naar terug…!’ Gebroken van zoveel intens verdriet zwijg ik nu. Het vertellen van mijn verhaal heeft mij al mijn energie gekost. Niets is er meer over.

Leeg…
Doodmoe leun ik met gesloten ogen, tegen de boomstam. Een paar vleugels worden om me heen geslagen. Nog meer tranenwater belandt op mijn harige buikje. Ditmaal komt het echter uit de kraalogen van Aasbrenger, die mij vol medelijden troost. 



Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk



Hersenspinsels:

  1. En dan ontkomt Haasje er niet aan zijn traumatische verleden te vertellen. Durf jij hele verdrietige gebeurtenissen uit jouw leven te delen met anderen? 
  2. Wanneer het de schuld van anderen is, is het wat minder moeilijk, dan als het mijn eigen schuld is. Zo ervaar ik het althans. Hoe is dat voor jou? 
  3. Met dat je de dingen hardop zegt of op papier schrijft worden de gebeurtenissen/trauma's een realiteit. Je beleeft het als het ware opnieuw. Daar heb je veel moed voor nodig èn iemand die je durft/kan vertrouwen. Met name als je bijvoorbeeld veel gepest bent, of wanneer je geen veilige thuissituatie had. Hoe kan jij jezelf helpen om deze dingen te delen? Wie kan jou daarbij helpen?

15) Hazenhartje op slot…


Golgotha, Jezus, Christus, Dood

‘U vertelde over dat ene Mensenkind die euh..., dat goede offer volbracht heeft?’ Daarbij kijk ik Vredepijler vragend aan.

‘Je bedoelt het volmaakte offer?’ Ik knik en vervolg mijn vraag:

‘Waarom moeten we wachten tot alles nieuw wordt? Als dat Mensenkind het allemaal goed gemaakt heeft, hoeft dat toch niet? Ik wil dat iedereen nú in vrede met elkaar leeft! Waarom wachten!?’ klink ik gefrustreerd en bozig.

‘Wat heb jij goed geluisterd, Haas! Ik heb zelden meegemaakt dat een dier zo'n scherpe vraag weet te stellen, in de korte tijd dat jij bij ons bent. En de hoeveelheid informatie die je over je heen hebt gekregen… Het is zoveel!’ Vredepijlers kopje gaat bewonderend op en neer.

‘Ik zal het je uitleggen. Onze Schepper heeft al Zijn schepselen lief. Hij verlangt ernaar dat iedereen op de nieuwe aarde komt wonen. Daarom wacht Hij net zo lang, totdat alle mensen de gelegenheid hebben gekregen om te geloven in dit Mensenkind! Zijn kind, Die dat offer heeft gebracht voor alle mensen die in de Schepper en Zijn Zoon geloven…’

Een diepe zucht ontsnapt er vanachter mijn hazenpootjes via mijn snuitje als ik, verdrietig en nog meer opstandig constaterend vraag:

‘Maar..., maar..., dan moeten wij nóg langer lijden...!?’ Liefdevol begrijpend kijkt Vredepijler me zwijgend aan. De hese stem van Aasbrenger laat zich vervolgens horen.

‘Weet je Haas? Ik begrijp ook niet waarom onze Schepper zoveel geduld* met de mensen heeft. Dat hebben ze helemaal niet verdiend! Toch?’ Ik knik instemmend, met pijn in mijn hart denkend aan mijn moer en oom…


‘Regelmatig heb ik met hetzelfde geworsteld, waarmee jij nu worstelt…,’ vervolgt Aasbrenger. ‘Denk je eens in? Wat zou er gebeurd zijn als Hij dit geduld niet zou hebben gehad?’ Ik denk diep na, terwijl hij met zijn indringende blik wacht op mijn antwoord. Moet hem, echter, een antwoord schuldig blijven.
‘Had jij over de Schepper gehoord, als hij alles direct nieuw had gemaakt?’ Ergens vaag begint er bij mij wat te dagen. Maar begrijpen doe ik het nog steeds niet helemaal. Ik schud mijn kop en kijk de beide dienstkruiers verward aan. Nu vult Vredepijler, Aasbrenger aan:

‘Kijk Haas, net zoals de mensen de tijd krijgen om in Hem te geloven, zo krijg jij ook die tijd! Zou het niet vreselijk egoïstisch geweest zijn van mij, indien ik jou dit misgund had? Ik was dan al in het Paradijs. Waar zou jij zijn denk je...!? Nogmaals, begrijpen doen we het niet, dat de Schepper zoveel geduld heeft met de mens. Maar…? Wij aanvaarden het wel, juist hierom!’ Wederom zwijgen beiden.



Langzaam begin ik het iets beter te begrijpen en vraag voor de zekerheid:

‘Als ik het goed snap, verlangen jullie naar het Paradijs en willen jullie daar graag zijn?’ Beiden knikken bevestigend, waarna ik verder vraag:

‘Maar omdat de Schepper zoveel geduld heeft, hebben jullie Hem leren kennen en daarom gunnen jullie het ook aan andere dieren zoals ik?’ Verheugd klappen de dienstkruiers in hun vleugels om in één snavel uit te roepen:

‘Wat ben jij een snelle leerling! Wij weten niet wat je allemaal hebt meegemaakt, lieve Haas, maar dit is nu precies de reden waarom wij onze gemeenschap hebben opgericht! Wij helpen, steunen en troosten elkaar, totdat onze Schepper heeft besloten dat de mensen genoeg kansen hebben gehad om in Hem te geloven. De naam van onze gemeenschap komt niet gewoonweg uit de lucht vallen!’ knipoogt hij vriendelijk met een ondeugend snavelig lachje.

‘Dat was ook een vraag van mij ja. Ik vind het een rare naam,’ haak ik er ietwat korzelig vrijmoedig op in.


“VREGIO”


Een licht, warm klinkend lachje hoor ik uit de snavel van de mooie witte duif met zijn rode schitterende ogen, als hij zegt:

‘Ik zal je vertellen wat dat betekent. Vregio is een samentrekking van “vrede” en “legio”. Legio is een ander woord voor talrijk of veel. En dat is nu wat wij nastreven in onze gemeenschap. Om met hulp van onze Schepper te strijden en veel vrede te zoeken met elkaar, totdat eindelijk die grote dag komt! En daar kijken wij met z’n allen reikhalzend naar uit.’ Beide dienstkruiers knikken geestdriftig met hun kopjes.

‘Nu..., we maken ons wel wat zorgen om jou Haas. Jij maakte de opmerking:

“Maar, dan moeten wij nog langer lijden!” Hoe bedoel je dat!? Is jouw leven zo zwaar? Kunnen we je helpen? Vertel ‘t ons alsjeblieft. We zijn er voor je om je te troosten en te helpen en net als ons, die vrede te ervaren op weg naar dat heerlijke Paradijs!’ Twee paar bezorgde kraalogen kijken mij aan…


Hart, Kasteel, Liefde, Hangslot, HekTja..., nu ontkom ik er niet meer aan…, bedenk ik me met een tegenstrijdig, zwaarmoedig en hoopvol hart.


*2 Petrus 3 vers 9 - HSV


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Heb jij je dat ook weleens afgevraagd? Waarom maakt de HEERE nu niet alles helemaal nieuw? Waarom wachten? Zoals Haasje hierboven ook vraagt... Met als gevolg dat wij op aarde er nog steeds een 'rommeltje' van maken. Dat wij mensen, onze Schepper nog steeds oneer blijven aandoen... Waarom blijft het lijden hier op aarde nog steeds doorgaan? 
  2. Waarom zou jij willen dat de Heere Jezus terugkomt om alles nieuw te maken... Of wil jij graag nog even wachten? En waarom dan?
  3. Wat zijn de vruchten of gaven van de Heilige Geest? Misschien wil je 1 Korinthe 1213 en 14 eens lezen?
  4. Welke van de gaven springt er in dit hoofdstuk uit? Herken jij die in jezelf of bij anderen in jouw omgeving? 
  5. In Vregio streven zij veel onderlinge vrede na. Ervaar jij onderlinge liefde en vrede? Of juist onrust? 
  6. Hoe zou jij hier zelf wat aan kunnen doen? 
  7. Aanvaard jij het offer van Jezus Christus tot vergeving van zonden?

29) Fijn kneepje

   ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...