donderdag 23 september 2021

23) Schuld


Geschrokken kijk ik in Verkrassers ogen. Mijn poten grijpen naar mijn buik. Iemand pakt mijn poot.

Het is Lamprei… 

Hij laat Moerkonijn los en slaat zijn beide pootjes om mij heen. Over zijn kopje kijk ik kort naar zijn Moer en Ram.
Poot in Poot… 

Ik slik. Hun ogen staan welwillend en hun oren gespitst. Alsof ze zeggen:

Toe Verkrasser..., zeg het maar!


Verder glijden mijn kijkers over de luisterende menigte. Het is stil. Ik hoor enkel wat blaadjes ritselen door de zacht ruisende wind. Iedereen wacht blijkbaar rustig af, tot onze wijze leider zichzelf weer de baas is. Mijn snuitje is droog en ik slik de zoveelste brok in mijn keel moeizaam weg.


‘Hmb ghum…’ Verkrasser schraapt zijn keel en gaat verder met zijn verhaal:

‘Lieve Vregiovrienden. De Vregioraad is zojuist met jullie nood naar mij toegekomen. Zij hoopten dat ik advies kon geven,’ zijn snavel stokt even. Schor vervolgt hij:
‘Helaas moet ik erkennen dat ook ik,’ hij zwijgt een klein moment met een afgetobde blik, ‘hierover niet de volledige kennis bezit…’


Zou zelfs Verkrasser het niet meer weten...? Nee toch!?


‘Ik ben ontzettend trots op jullie! Met zoveel inzet is eten ingezameld en gekookt. Nee, de meesten van jullie vonden het niet erg lekker, heb ik begrepen.’ Daarbij kijkt hij meelevend familie Leeuw aan. ‘De wil is er om naar onze Schepper te luisteren. Ik heb jullie een opdracht gegeven die tegen onze natuur ingaat. Het niet eten van vlees... Hoe moeilijk is dat!’ Hij zwijgt nogmaals. Daarbij slaat hij ons gade, en erkent eerlijk met een droevige oogopslag: ‘En ik kan dat weten…’


‘Gisteren was ik mijn dagelijkse ronde aan het vliegen over de velden. Ik zag een rat zag tussen het riet aan de rand van een slootje. Tot mijn schaamte moet ik zeggen dat mijn snavel droop van ‘t speeksel. En voor ik wist wat ik deed? Schoot ik geruisloos als een pijl naar beneden. Mijn klauwen waren gereed om het arme dier te grijpen…’ Een trillende zucht verlaat de keel van Verkrasser.


Ik hou mijn adem in. Ondanks dat de zon met zijn warme stralen op mijn vacht schijnt, trekt de kou door mijn lijfje. Ik word me zelfs onbewust van het geluid van de ritselende blaadjes. Lamprei kruipt dichter tegen mij aan, en ik schrik op:

Lieve Lamprei… 

Mijn pootje streelt gedachteloos zijn kopje, ondertussen probeer ik mijn aandacht te focussen op Verkrasser, die verder snavelt:

‘In die ene seconde zag ik in de wijd opengesperde ogen van Rat, een vreselijk monster weerspiegeld. Feloranje ogen, met klauwen uitgespreid om datzelfde dier te grijpen… Een rauwe krijs! Ontdaan zweefde ik over het trillende beestje heen.’


‘Die krijs…, was van mij! Het oude verlangen naar vlees!’ Hoor ik hem bevend snavelen. ‘Bijna…, was ik teruggegaan "naar de vleespotten van Egypte". Zoals de Israëlieten klagend wilden, omdat de reis naar het beloofde land hen te zwaar was.* Teruggekomen op mijn rots zag ik nog steeds die doodsbange ogen van Rat.’ Verkrasser rilt als hij triest en schuldbewust in de verte staart. ‘Ja…, nu nog. Er moeten maatregelen genomen worden, besloot ik. Dít niet meer!’


‘Nee…, het is nu nog geen paradijs op aarde,’ klinkt zijn gesmoorde stem. Ik blijf worstelen met mijn honger naar vlees… Jullie ook?’ Hij kijkt ons allen aan en buigt zijn grote kop met terneergeslagen ogen.



‘Maar…,’ krast hij ineens fel met opgeheven kop, ‘eens zijn wij dit te boven. Na de terugkomst van het Mensenkind. Tot die tijd zal ik deze snavelkorf dragen, ter bescherming van alle dieren die ik begeer te eten. De Aasbrengers geven jullie vandaag een snavel- of bek-korf. Geen enkel dier uitgezonderd. Eensgezind dragen we die, opdat we ons aan onze belofte houden. Bovendien onderzoeken wij, hoe we het eten smakelijker kunnen maken. Alleen sámen kunnen we dit overwinnen!’ Ik hou Lamprei tegen mijn opgeblazen buik aangedrukt. Mijn poten stijf om hem heen geslagen. Een warme traan belandt op zijn snoezige koppie… 



*Exodus 16 - HSV


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Heb jij weleens aan anderen beloofd dat je iets nooit meer zou doen? Mijn ouders hadden een kast waar alle snoepjes en drinken in stond. Stiekem pakte ik er regelmatig snoepjes uit. Mijn moeder had hier een simpele oplossing voor. Eén keer per week deed zij boodschappen en dan kocht zij één ponds pak vencodrop. We mochten pakken wanneer we wilden, maar..., op was op. En dat betekende meestal dat al voordat zij opnieuw boodschappen ging doen, de drop op was. Helaas hadden mijn broer en zussen dus te lijden onder mijn (of was het elkaars?) lust voor drop... Hoe vind jij die oplossing? Verkrasser had beloofd geen dieren meer te doden en te eten. Bijna ging hij in de fout! Geschrokken van zichzelf maakte hij een snavelkorf beseffend dat hij zichzelf moest beschermen voor de verleiding... Ook alle andere dieren moesten een snavel- of bek-korf dragen. Waarom zouden we anderen zulke 'wetten' voorschrijven? Moeten we lijden onder elkaars zwakten?
  2. Heb jij ook zwakke plekken? Hoe help jij jezelf? Of hoe laat je je helpen?
  3. Vind jij het slim dat Verkrasser álle dieren verplicht een snavelkorf te dragen? Waarom zouden we onszelf naast de tien geboden nog andere regels opleggen?
  4. Ik kan me voorstellen dat Haasje, volledig teleurgesteld, afscheid zou nemen van zijn nieuwe familie/vrienden... Terug naar het leven dat voor hem vertrouwd was, al was het niet fijn. Ik lees exodus 16. Jezus volgen en mij dus houden aan Gods geboden, wil ik graag vanwege wat Jezus voor mij heeft gedaan. En toch... Soms lijkt het leven dat ik voorheen leefde zó aantrekkelijk/gemakkelijk, dat ik er bijna naar terug zou gaan... Heb jij daar ook last van? Hoe strijd jij daartegen?
  5. Verkrasser schrok van zichzelf. Voor hij het zich realiseerde, volgde hij zijn vleesetende natuur. Schuldig moet hij dit erkennen aan de Vregioleden... 'Eigen schuld plaagt de mens het meest,' zei mijn moeder vaak. Speelt dit nu ook bij Verkrasser? De natuurlijke neiging om mezelf centraal te stellen in plaats van God en Zijn Woord, is mijn dagelijkse worsteling. Voor ik het weet is het alweer zover en dan schrik ik van mezelf... Waarom niet meer aan de ander en voor alles: aan dé Ander gedacht? Wat herken ik veel in psalm 51, waarin David boete doet over zijn zonde met Bathseba en tevens wanhopig genade zoekt bij God. Hoe nu verder? Hoe hou ik dat vol? Of verwacht ik het teveel van mezelf? Ik lees romeinen 8. Welke antwoorden vinden we in beide schriftgedeelten?


22) Een snavelkorf



Eén voor één schuift de rij op, en wandelen de dieren terug naar hun vertrouwde plekje op de weide. Ik zie de wolven een grote hap nemen en probeer hun uitdrukkingsloze snuiten af te lezen. Van Leeuw en zijn Leeuwin is het snel duidelijk. Ze kotsen het met afschuw uit. De welpjes proberen het niet eens... Slang lijkt het ook niet erg lekker te vinden, maar…, hij eet het wel met lange giftanden op. Ook Beer en Berin.
‘Pffffffff…,’ zucht ik. Met lede ogen zie ik het allemaal aan, en heb het gevoel alsof er een zware steen, via mijn snuitje langs mijn slokdarm, in mijn buik valt…


‘Snifff…’


De Aasbrengers en Vredepijlers snavelen samen. Hun kraalogen staan dof. Eén van de Vredepijlers vliegt op. Gaat op de boomstronk staan en neemt het woord:

‘Lieve Vregioleden*. Ik als Voorvlieger**  van de Vregioraad***, moet constateren dat wij over het resultaat zeer teleurgesteld zijn. Jullie hebben allemaal prima inzet getoond, maar…, zoals wij zien en de Aasbrengers geproefd hebben, blijkt het minder makkelijk dan gedacht…’ Vredepijler zucht diep. ‘Ik heb de taak om samen met de andere Vredepijlers naar Verkrasser te gaan. We gaan overleggen en wijze raad vragen aan Verkrasser,’ snavelt hij met zijn lichte maar warme stem. Ook de Aasbrengers gaan mee vanwege hun uitvoerende taak in Vregio. Houdt moed. Volhardt in deze heilige opdracht van Verkrasser. Nee..., Ik moet zeggen: deze heilige opdracht van onze Schepper! Wij gaan nu direct op weg en hopen zo spoedig mogelijk terug te keren. Veel vrede wens ik jullie toe.’ Samen met de vijf andere Vredepijlers en zes Aasbrengers stijgt hij op. Haast is tenslotte geboden!



'Grrrrommmm...' Hoor ik naast me op Verkrassersweide. Leeuw laat zijn grote witte tanden zien. 'Dat gaat me wat worden,' brult hij. Wolf sust echter:

‘Kom kom Leeuw. Volhouden!’

‘Grmpffff…,’ is de enigszins honende reactie, waarna hij met zijn Leeuwin en welpen, loom protesterend in het gras gaat liggen. De dieren op de weide zijn nu in stilzwijgen gehuld. Ik kijk naar Moerkonijn. Ze veegt een traan weg, geeft Lamprei een knuffel en zoekt met haar poot, de poot van Ramkonijn. Hij geeft een kneepje in haar poot, laat haar los, springt op de boomstam en roept ons allemaal motiverend toe:

‘Kom, flinke Vregioleden. We laten de moed niet zakken, toch!? We gaan opnieuw eten zoeken. Wij hebben nog geen paddenstoelen, kruiden en aardappelen verzameld. Alleen groente. En jullie?’ Er wordt instemmend mopperend geknikt. ‘Als de zon boven die boomtop staat,’ Ram wijst naar een grote eikenboom op het zuiden, ‘moeten we terug zijn op de weide. Op dit tijdstip zal de volledige Vregioraad terug zijn. Wij gaan aan de slag. Kom Moer en kinderen. Haas, ga jij ook mee?’


Leeuw blijft echter met zijn gezin lui liggen. Wel staan alle wolven traag op om het voorbeeld van familie Sprong te volgen. Slang schuifelt mee. Ook Ollie met Japie op zijn rug, terwijl de laatstgenoemde roept:

‘Wij gaan samen bananen en noten verzamelen!’ Behulpzaam knikt hij vriendelijk naar Ram.


Een paar zonnestanden verder verzamelen we ons opnieuw op de Verkrassersweide. Er valt een donkere schaduw overheen. Ik kijk omhoog en zie Verkrasser tezamen met zijn zes Vredepijlers en Aasbrengers boven de boomtoppen verschijnen. De twaalf dienstkruiers hebben iets in hun klauwen.
Wat zou het zijn? Vraag ik me stilletjes af. Maar ik moet geduld hebben. Want evenals de eerste keer dat ik hen ontmoette, vliegt het hele gezelschap zeven rondjes om ‘t veld heen. Vervolgens landt Verkrasser op de boomstam. Wederom vormen zijn trouwe helpers een ster om hem heen.
Het blijft een indrukwekkend gezicht! Huh!? Wat zie ik nu? Heeft Verkrasser iets om zijn snavel?


Met zijn vleugels haalt hij het met een vermoeid gebaar los. Zijn donkere warme stem klinkt triest:

‘Lieve, lieve Vregioleden,’ zijn vleugels hangen slap naar beneden, ‘ik moet jullie schuld bekennen. Deze snavelkorf****’, hij houdt
het losgehaalde ding omhoog, ‘had ik niet om.’ Met zijn andere vleugel veegt hij beschaamd een traan, die uit zijn feloranje ogen rolt, weg.


*De dieren die zich aangesloten hebben bij Vregio

**Voorzitter van de dienstkruiers

***De dienstkruiers en de voorzitter samen als dienend bestuur voor Vregio

****Muilkorf


Volgende hoofdstuk Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Met zoveel goede moed zijn de 'Vregioleden' aan hun nieuwe dieet begonnen. Zeer teleurgesteld gaan de dienstkruiers hun voorganger halen. Haasje vindt het erg moeilijk om deze teleurstelling te verwerken. Zou het hen wel lukken? Hoe is dat voor jou en mij in ons leven? Ik weet dat ik een zondaar ben. Maar ook dat ik gered ben door het bloed van Christus... Wat is mijn doel eigenlijk in dit leven?
  2. Verschillende reacties komen er op deze teleurstelling. Leeuw lijkt het bijna te willen opgeven. Wolf wil nog doorgaan. Ramkonijn neemt echter het voortouw. Volharding, dáár komt het op aan, zegt hij... Hoe hou ik het volgen van Jezus vol? Wat leren we hierover in fllipenzen 3 voor ons persoonlijke leven?
  3. Hoe ga jij om met heftige teleurstellingen? Waar zoek jij hulp? Hoe verwacht jij dat jouw probleem opgelost wordt? Bij wie zoek jij hulp? Hier verwacht de dierengemeenschap dat Verkrasser wel genoeg wijsheid zal hebben om de problemen op te lossen wat betreft het eten. Zou dat terecht zijn?
  4. Wat lees je in psalm 25 en 42. Wat bemoedigt jou in deze psalmen?


21) Kokend voedsel

Ram neemt afscheid en hupt met gezwinde spoed richting de troep chimpansees, die gelukkig niet ver van de kudde olifanten wonen. Moerkonijn kijkt mij vragend aan:

‘Hoe verpoten* we al dit voer dat we verzameld hebben? Heb jij een idee?’

‘Ik heb een tas,’ antwoord ik, ‘en misschien mogen we de rieten manden van de Aasbrengers lenen?’

‘Slim! Zij wonen aan de Verkrassersweide,dat komt goed uit,’ reageert ze waarderend. ‘Laten we haast maken! Zodra Ram terug is, moet het klaar zijn...’


‘Poeh, dat was wel zwaar!’ verzucht ik even later, en laat opgelucht de last van mijn schouders glijden, vlak naast de stenen waarop de ketel staat. Moerkonijn en haar gezin volgen mijn voorbeeld en legen hun gevulde voorpoten.

‘Kroa, kroa,’ registreren mijn scherpe oren het karakteristieke geluid van raven. Moerkonijn glimlacht en zwaait met haar poot.


‘Aasbrenger?’

Eén van de zwarte vogels slaat zijn vleugels uit en land bij familie Sprong.

‘Ahhh, zegt u het eens?’ Er staat een vraagteken in zijn zwarte kraalogen. Moerkonijn legt uit wat ons plan is.


‘Rabb, rabb...,’ grinnikt hij, ‘u heeft hetzelfde plannetje als de muizen. Mijn collega is zojuist uitgevlogen om hen een mand te brengen. Als de zon wat hoger staat komt hij terug met een volle mand,’ snavelt hij tevreden. ‘Hoeveel manden denkt u nodig te hebben?’ vraagt Aasbrenger, en hij wenkt vervolgens met zijn vleugel dat zijn collega's uit de boom naar ons toe moeten komen.


********


Niet veel later spring ik gejaagd met twee van mijn grootste en sterkste neven, terug naar de burcht van Ram en Moer. De laatstgenoemde is samen met de rest van haar kroost achtergebleven op de weide, om het meegenomen voedsel in de ketel te deponeren. Aasbrenger en twee van zijn collega’s vliegen met de manden in hun klauwen mee. Lamprei moest helaas achterblijven bij zijn moeder.

‘Je bent een te grote hulp voor mij, ridder Lamprei!’ had ze tactisch tegen hem gesnuifd. Schoorpotend was hij bij haar gebleven.


Het werk is snel klaar. De Raven hebben er een flinke klauw aan om de volle manden terug te vliegen. Flitst door mijn gedachten. Vermoeid en voldaan komen we op de Verkrassersweide aan. Mijn lieve kleine neefje doet net de laatste wortel in de ketel. De lege manden wachten nu, om gevuld te worden met gekookt voedsel.


Wat is dit?


Plotseling hoor ik een regelmatig bonken. Steeds luider… Mijn hazenhartje begint sneller te kloppen. De grond gaat nog heftiger dreunen. De veroorzaker komt aan daveren. Lamprei springt en stampt van vreugde op de grond. Ramkonijn zit samen met een chimpansee op de rug van een Olifant. Moerkonijn trekt haar Kleintje snel veilig tussen haar poten. Ollie komt haar wat te dichtbij blijkbaar. Deze buigt zijn voorpoten zodat Ram en Japie van zijn rug glijden, en hij het nodige water in de ketel kan spuiten. Voorlopig heeft hij zijn taak volbracht. Japie wacht een lastigere opdracht. Het veld begint zich inmiddels met nog meer dieren te vullen.


‘Ik hoop dat het gaat lukken,’ weifelt Japie. Hij legt een plat plankje neer en pakt een lang rond stokje.

‘Hey Lamprei? Geef jij wat droge blaadjes en dunne fijne takjes aan mij?’ vraagt de chimpansee.

‘Ga je gang,’ snuift Moer toestemmend en vervolgt direct nadrukkelijk. ‘Wel op afstand blijven! Japie doet een gevaarlijk werkje...’

Rustig begint deze het stokje tussen zijn voorpoten te draaien. Daarbij drukt hij het stokje stevig op het plankje. Sneller, steeds sneller draait het stokje…

Zweet parelt Japie op zijn voorkop.

‘Pffff, dat duurt lang…’ Eindelijk wordt het zachte hout heet. Een kringeltje rook stijgt omhoog. Hij raapt het plankje behoedzaam op en legt het tussen de rechtopstaande stenen, onder het rooster waar de ketel op staat. Snel legt hij de droge blaadjes en takjes op de rook. Op een klein afstandje blaast Japie het vuur zachtjes verder aan. Een voorzichtig likje oranje vlam laat zich zien. De overige dieren blijven angstig op een veilige afstand staan. Nog een paar keer blazen en verschillende vlammetjes likken aan de takjes en blaadjes.


‘Meer takken en blaadjes!’ roept de aap. Met vlugge bewegingen gooit hij het erop. Eindelijk knappert er een lustig vuurtje onder de ketel. Na nog meer geduld beoefend te hebben, gaat het water koken.


‘Hoe lang moet dit nu koken?’ vraagt Moerkonijn aan Moedermuis. Die haalt onwetend haar schouders op, en kijkt op haar beurt vragend naar Aasbrenger. Ook hij weet het niet. De Schapen blaten wat onder elkaar. Slang sist met Gazelle. En inmiddels zijn ook de wolven aanwezig, om nieuwsgierig te proeven van de maaltijd. Het is een geroezemoes van belang. Aasbrenger vliegt eens hoog over de ketel heen. Vliegt geschrokken nog ietsje hoger vanwege de hitte, en ziet in een oogwenk dat het eten geslonken is. De geur die eruit opstijgt kan hem niet echt behagen. Hij landt bij Moerkonijn op de grond.

‘Het lijkt me, dat we de ketel kunnen afgieten.’

‘Ouch...!’ gilt Japie het uit, als hij de ketel pakt. Zijn poottoppen* steekt hij in zijn bekje en met een pijnlijke blik in zijn ogen danst hij op zijn achterpoten.


Een poosje later kan de afgekoelde ketel wel afgegoten worden. Hij is driekwart vol. Het eten laten ze voor de zekerheid nog verder afkoelen. Daarna delen de Aasbrengers het aan Beer en Berin met hun welpjes, de wolven, Slang, schapen, Leeuw met zijn Leeuwin en welpjes, en Moervos met Rekel en zijn welpjes, en nog vele andere dieren. Japie sluit de rij. Allen gemotiveerd om het nieuwe dieet vorm te geven in hun leven.

Hoopvol kijken de muisjes, Ollie, mijn familie en ik toe.

Zou het smaken? Of…, is al ons werk voor niets geweest!???



*Vervoeren

**Vingertoppen


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk



20) Blij door Haas en Lamprei


Ik herken mezelf in de ongeduldige kleine Lamprei, en glimlach onwillekeurig. Wij richten ons beider gespannen, vragende en verlangende ogen op Ramkonijn.

Zou het mogen?

Ik zie wederom een vrolijke tinteling verschijnen, hij begint te lachen en grapt:

‘Tegen twee zulke bedelaars kan ik niet op! Maar…,’ vervolgt hij liefdevol resoluut, ‘nu moet jij wel lief gaan slapen Lampje!’ Ik voel het pootje van Kleintje ontspannen.

‘Breng jij mij naar mijn mosmatje*, oom Haas? En ga je me ietsiepietsie verklappen?’ Ik grinnik om de grote, smekende, nieuwsgierige oogjes van mijn neefje.

‘Doe het maar,’ snuift Moerkonijn goedig. En verklap het geheimpje ook maar, anders slaapt hij toch niet...’ zucht ze gespeeld geërgerd. Na mijn taak volbracht te hebben, lig ik op mijn beurt lekker op mijn mosmatje. Vermoeid van alle gebeurtenissen val ik, ondanks de vele gedachten die in mijn kop spoken, snel in slaap.

**********


Ik kijk enigszins verbaasd om mij heen. Oh ja! Realiseer ik me. 

Lamprei! Zijn naam schiet door mijn gedachten. Mijn voor- en achterpoten rek ik behaaglijk uit, in het nest van zacht verend mos en droog gras. 

Wat heb ik heerlijk geslapen! Hoe laat zou het zijn? Het is nog muisstil. Het moet vroeg zijn... 

Zonder een enkel geluid te maken, sta ik op en sluip de burcht door, richting het nestje van mijn neefje. Zachtjes fluister ik in zijn oor:
‘Lamprei…’
‘Oom H…!’ zijn luide snuif weergalmt in de stilte van zijn kamertje.

‘Ssssssst,’ fluister ik verschrikt en zacht met mijn poot voor zijn snuit.

‘Oeps! Sorry,’ fluistert hij terug.

‘Kom!’ Gebaar ik. Samen sluipen we ongemerkt de burcht uit.

Buiten horen we alleen het zachte ruisen van de wind. Het is nog donker. Dankbaar maken we van de zwakke lichtstralen van de volle maan gebruik.
Fijn!
Blij ben ik met mijn goede neus, die de geuren van mijn doel oppikt. Het zintuig wijst me naar de rand van het bos, dat niet ver huppelen is voor ons beiden. Daar staan brandnetels, en in het boerenland naast het bos ontwaar ik een veld met allemaal wortels. Met glimmende oogjes en enthousiaste pootjes graven we enkele wortels uit de grond. Ook plukken we enige brandnetels. We stoppen alles in mijn tas van stevig gevlochten stro. Waakzaam en met mijn oren gespitst kijk ik over het veld heen. Een prachtige geel oranje gloed komt op, tussen de scheiding van land en lucht… Ik stoot Lamprei aan:

‘Kijk!’

‘Wow…,’ Kleintje zucht bewonderend. Samen genieten we een paar
snuifteugen** van de opkomende warme schoonheid van de zon. Weemoed…


Naast het veld met wortels is een groot heidegebied. De schapen zijn ook wakker geworden en vrijgelaten uit de schaapskooi, die aan de rand van het heidegebied staat. Ze verorberen gras, en de malse jonge boompjes die tussen de heide staan.


‘Horen zij ook bij Vregio?’ vraag ik nieuwsgierig aan Lamprei. Hij knikt bevestigend en huppelt hen tegemoet.

‘Hey, Ramlam!’ gilt Kleintje zijn vriendje toe. Verbaasd gaat er een kopje omhoog en het blaat:
‘Jij bent vroeg!’

‘Ja, we hebben een verrassing voor Ram en Moer,’ grinnikt de aangesprokene terwijl hij zijn oogjes over de kudde laat gaan.
‘Hé? Hebben jullie een nieuw familielid? Dat zwarte schaap daar?’

‘Ja,’ zegt Ramlam korzelig zijn schouders ophalend, ‘hij heeft zich gisteren bij ons aangesloten. Ik vind het een raar schaap. Ooi zegt dat ik aardig tegen hem moet doen…’

‘Ik heb ook een nieuwe oom,’ zegt Lamprei trots naar mij wijzend, ‘hij is niet raar, wel anders.’

Mijn beide achterpoten komen op de grond. Het is laat!
‘Dag Ramlam. Ik heet Haas. Jammer dat we niet langer kunnen blaten met je. We moeten echt gaan als we op tijd klaar willen zijn met onze verrassing. Andere keer, ja?’ Vlug springen we met de tas in mijn sterke voorpoten richting de burcht.

Ram en Moer huppen de burcht uit. De twee "vroege" neven zijn precies klaar.


‘Hebben jullie dit gedaan, Lamprei en Haas?’ Uitnodigend liggen de wortels in hartvorm op de aarde. In het midden van het hart liggen de brandnetels verspreid.

‘Je hebt niets teveel gezegd Haas. Hartelijk dank!’ reageren beiden door elkaar. Ram slaat zijn linkerpootje om Moer heen, kijkt haar diep in de ogen, en plant een liefdevol zoentje op haar snuit. Ik zie de kleur van haar wangen verdiepen... Mijn neefje doet zijn pootje voor zijn snuitje en fluistert ondeugend:
‘Het zou me niet verbazen als ik binnenkort weer broertjes en zusjes zou krijgen.’ Verschrikt kijk ik hem met een blozende kop aan.


Na het eten stampt Ram met zijn achterpoten.
‘Lieve familie. Gisteren hebben we eten verzameld voor de carnivoren. Vandaag gaan we dat met zijn allen naar de gietijzeren ketel van Verkrasser brengen, en stoppen het erin.’ Naar mij richt hij zich specifiek:

‘Help jij sjouwen, grote sterke Rammelaar? Dat schenkt mij de mogelijkheid Ollie en Japie te halen, om hun bijdrage te leveren.’



*Bed of nest

**Ademteugen


Volgende hoofdstuk


Vorige hoofdstuk


Hersenspinsels:

  1. Wanneer de vrachtwagen in onze straat kwam om het glas op te halen wilde mijn, toen nog kleine, zoontje kijken. Zijn ogen glinsterden bij het kijken naar hoe de glasbak opgetild werd, en daarna geleegd in de vrachtwagen. Het ontdekken van allerlei dingen door mijn kinderen en nu kleinkinderen, maakt dat ik er met andere ogen naar kijk. Alsof het nieuw voor mij is... Hoe ervaar jij dat?
  2. In Mattheüs 18 vers 1 tot en met 9 lees je dat Jezus zegt dat wij als een kind moeten worden. Wat bedoelt Hij daarmee? Zoals in de vraag hierboven? Of tóch anders?
  3. Je hoort hier Ramlam zeggen dat hij het eigenlijk helemaal niet leuk vindt om aardig te zijn voor het 'rare' schaap. Desondanks is hij gehoorzaam aan zijn moeder. In jouw groep/kerk/klas is er misschien ook een buitenbeentje? Een vreemde snuiter als het ware... Zo staat hij/zij bekend. Hoe behandel jij deze persoon?
  4. Iedereen heeft zo zijn talenten/gaven. Van wie heb je die gekregen? Hoe en waar zet jij die in, in deze maatschappij? En voor Wie doe je dat?


29) Fijn kneepje

   ‘Nee!’ Verbijsterd grijp ik de poot van Ramkonijn. Onze poten zijn klam van het koude zweet. Angstig voor wat we lezen in elkaars ogen, s...